Rugby en radslagen

“Hmmfff shshe mggfffttt” roept Sara vanuit de verte en ik kijk haar vragend aan. Ze herhaalt het nogmaals, waarop ik gebaar dat ze haar bitje even uit moet doen. “zag je dat!?!” roept ze extra hard en verstaanbaar over het hele veld heen. Ik knik van ‘ja’ steek mijn duim op. Nee, natuurlijk zag ik het niet.

Sara zit sinds een paar maanden op rugby. Een sport die tot verkort in mijn hoofd alleen te maken had met mannen die op elkaar inbeuken. Grote gespierde mannen….zwetende mannen…. Mannen in strakke shirts… stoere zwetende mannen…. Zucht…
Maarja, wat ik dus eigenlijk bedoel, ik had er niet over nagedacht dat Sara deze sport kon gaan doen. Totdat een vriend van arno zei dat hij trainer is bij de rugby-guppen (de jongste kids). Zodoende en aldus, lang verhaal kort: Sara zit nu op rugby en het is geweldig leuk.

Ten eerste, de bal heeft een rare vorm. Sara kan er niet over uit. De bal is raar. En daarom moet er tijdens de eerste paar trainingen meerdere malen een poging gedaan worden om de bal rond te krijgen. Je ziet haar denken: “wat nou als ik erop ga staan… of als ik de punten met mijn handen naar elkaar druk.” Een half jaar later heeft ze het laten rusten, deze rare bal is niet meer te redden.

Ten tweede, Sara had nog nooit van rugby gehoord. Aan hobby’s is er thuis geen gebrek. Ik schilder, maak muziek, verzorg mijn planten. Arno kijkt voetbal en de tour de France en zit tussen mijn planten. Maar rugby hebben we nog nooit gekeken, dus ook niet gespeeld, laat staan dat we Sara ooit verteld hebben hoe het spelletje werkt. En dat is te zien.
Met veel geduld en passie proberen de trainers uit te leggen waarom je eerst met de bal je voet moet aantikken, hoe het ene team in een pizzapunt moet gaan staan en het andere team een Chinese muur moet vormen. Sara heeft nu het idee van de Chinese muur wel door, je vormt met je team een ondoordringbare barrière door in één lijn naast elkaar te gaan staan over de breedte van het veld. Top!
Daar staat ze dan, armen en benen wijd, niemand komt hier langs! Wanneer de trainer fluit rent de aanvallende partij moeiteloos langs Sara, die stokstijf blijft staan op haar plek van de Chinese muur… De volgende vijf minuten van de training wordt er uitgelegd dat je wel mag bewegen en verplaatsen om de tegenpartij tegen te houden.

Ten derde, en dit is niet cynisch bedoeld, de rugby-ouders zijn super relaxed. Gelijk al bij de eerste training krijgen we van de teamleider te horen dat het leuk is dat we er zijn maar dat dit een team sport is. Het is niet gewenst om alleen je eigen kind aan te moedigen. Als je juicht, juich je voor het team. Ook roep je geen coachende of rugby gerelateerde zaken zoals “tackel hem dan!!” of “linksom rennen!!”. Neen!! Dat is aan de coaches. Eigenlijk hoef je ook in de pauze het veld niet op te komen en kunnen de coaches wel beoordelen of je kind gewond is na een val. Dus wat kan je als ouder dan wél doen? Dat vraag je je nu wellicht af?  
Niets. He-le-maal niets…. En het is heerlijk!! We kletsen, we kijken af en toe naar de kids, drinken een bakkie, pielen op onze telefoon, lachen (zachtjes)  onze kids uit, vragen ons af wanneer het op rugby gaat lijken en zwaaien af en toe terug wanneer een kind vanuit de verte oogcontact zoekt. Het is heerlijk!

Verder heeft Sara, net als ze meeste anderen, de concentratie nog niet om een hele training bewust mee te maken. Wanneer we ongeveer veertig minuten bezig zijn zie ik haar steeds meer afdwalen. Ze kan de discipline niet meer opbrengen om naar de trainers te luisteren en langzaam komen haar kinderlijke impulsen weer naar boven. En één van de impulsen waar Sara altijd aan toe moet geven is het maken van een radslag. Ze kan er niets aan doen, het moet eruit.

Vanaf de zijlijn zie ik het al aankomen, midden in een oefenwedstrijdje kijkt Sara om zich heen. Nee, ze kijkt niet waar de bal is. Ze kijkt of ze genoeg ruimte heeft om zich heen. Dan loopt ze zo’n 5 stappen met haar armen in de lucht en haar blik op de grond gericht. En dan… Haar team rent ondertussen naar de andere kant van het veld. Sara maakt een radslag met kromme benen en landt net uit evenwicht. Daardoor moet ze er een soort van pirouette achteraan maken om overeind te blijven, maar dan staat ze stil. Trots kijkt ze om zich heen, haar team is twintig meter verder aan het stoeien om de rare bal. Sara huppelt er naartoe en mengt zich de kluwen armen en benen.

De trainer fluit, het is pauze en de teams rennen richting de zijlijn. Een stuk of zes kinderen gooien even vrij over met de rare bal, Sara doet mee. Ze gooit naar haar buurman en begint weer aan het maken van een radslag. De bal is nu het hele rijtje afgegaan en is nu weer bijna terug bij Sara. Haar buurman gooit de bal naar Sara die gelijktijdig haar benen in de lucht gooit…
Trainers, kinderen en ouders kijken hoe de bal haar voet raakt en vervolgens door de lucht vliegt. Even is het stil en iedereen volgt het rare ding met zijn ogen. Op een paar meter na vliegt de bal langs de palen en teleurgesteld zegt iemand “oeoeoeh een beetje meer naar het midden had mooi geweest”. Zelfs de trainers besluiten de man niet aan te spreken op zijn coachende en rugby gerelateerde uitspraak.

“hmmfff shshe mggfffttt” roept Sara. En ik roep terug: “ja! Ik zag het!!”

De verdwijntruc

“Mevrouw u mag hier niet staan, de gangen moeten vrij blijven.” Met engelen geduld spreekt de drieëntwintigjarige badmeester mij aan en zegt dat ik in de kleedkamer kan wachten, of in het restaurant waar een consumptie verplicht is. Vorige week zei hij hetzelfde en de week daarvoor ook. Maar ik probeer toch even te zien of Sara blijft drijven als ze met kleding aan moet zwemmen en vanaf de gang is de enige plek waar ik haar kan zien ploeteren in het water.  Vervolgens is ze de andere helft van de zwemles bezig met de natte kleding, die vacuüm tegen haar lichaam geplakt zit,  uit te trekken.

Zwemles is voor ouders niet het meest enerverende uitje van de week, maar als je niet mag kijken naar je kind dan blijft er helemaal weinig over. Als ik Hanna mee neem dan hobbel ik een beetje achter haar aan terwijl ze door het hele pand loopt, maar nu mag dat niet meer. Dus Hanna en ik zijn gebonden aan de kleedkamer. Drie kwartier lang.

Nu we elke week op de harde latjes van de kleedkamerbankjes zitten heb ik wel even te tijd om met andere ouders te praten. We zijn nu een vast groepje van vier. Drie moeders en één vader. Ons wekelijks thee-loze-kransje  gaat voornamelijk over dat we ons echt niet kunnen herinneren dat we vroeger ook al borstcrawl moesten doen voor onze A diploma. Dat we niet snappen waarom ze hun vingers bovenwater moeten houden met watertrappelen. Als ik ooit in het midden van de oceaan drijf als schipbreukeling zal ik vast niet ineens denken: “oh shit, ik moet wel mijn vingers bovenwater houden”.
Verder bespreken de moeders Netflix series en zit vader zwijgend naar ons te luisteren of te luid te telefoneren voor werk. Vervolgens vragen wij of zijn deal nou nog niet rond is, terwijl we alle drie niet weten wat voor werk hij doet. Hij antwoord dat het écht eraan zit te komen, volgende week gaat het gebeuren. Wij roepen enthousiast dat we ook dat idee kregen bij het horen van dit gesprek. Moeder één, moeder twee en ik knikken heftig met ons hoofd om onze woorden kracht bij te zetten. Ondertussen speelt Hanna op de grond met paars glinsterslijm, dat heeft ze van Sara gekregen die het zelf gemaakt heeft op een verjaardagsfeestje.

Moeder één kijkt naar Hanna en spreek haar verbazing uit over dat kinderen die slijm-rommel zo leuk vinden. Ondertussen kneedt Hanna vier lange vieze haren mee in de bonk paars slijm. Ik snap wel dat kinderen het leuk vinden, ik vind het zelf ook wel lekker voelen als het net nieuw is. Maar als ik nu naar het ranzige bonkje slijm van Hanna kijk, krijg ik vooral kokhals neigingen. Haar, zand, broodkruimels, stof en mieren. Alles wordt opgenomen in de paarse massa, maar Hanna stoort zich er niet aan.

“Ik denk dat het vanavond kwijt raakt als ze op bed ligt” zeg ik. En beide moeders knikken begrijpend. “gisteravond is de zak magic sand van mijn dochter kwijtgeraakt” biecht moeder één schouderophalend op. “oja, dat raken wij ook altijd kwijt” beaamt moeder twee. Ondertussen speelt Hanna verder met de afgrijselijke paarse harige bonk.

Een andere moeder die met haar dochter is binnen gekomen in de kleedkamer luistert even mee naar de stroom van kwijtgeraakt speelgoed die we opnoemen. De speelgoed xylofoon, play dough, blokfuit, strijkkraaltjes. De rij wordt steeds langer en wij worden steeds luidruchtiger en roepen gekscherend dingen als “wat een ontaarde moeder ben jij dat je altijd alles kwijtraakt!! Dat zou mij nou noooooit overkomen” tegen elkaar. We lachen alsof we stepford wives zijn en moeder twee gooit haar haren naar achter.

“Bij ons zijn de batterijen altijd na één dag leeg en we hebben nóóit nieuwe batterijen in huis”, zegt de andere moeder zachtjes terwijl ze haar handen voor de oren van haar dochter houdt. Ik, moeder één en moeder twee ontvangen haar onverwachte biecht met veel enthousiasme en “amen!!”. De vrouw giechelt en loopt blozend met haar dochter de kleedkamer uit. Hanna heeft ondertussen 30 kleine stukjes paarse smurrie om zich heen liggen.

Eindelijk komen onze kinderen drijfnat de kleedkamer inlopen, een meute ouders volgt. Ons thee-loze-kransje is voorbij. We drogen haren af, knijpen badpakken uit en proberen sokken aan te doen over nog veel te natte voeten. Dan staat de vader op, de jurk van zijn dochter zit achterstevoren en deels in haar onderbroek. Hij roept luid door de kleedkamer: “nou, dames het was me weer een waar genoegen. Blij te horen dat ik niet de enige ouder ben die stom speelgoed van zijn kinderen stiekem weggooit als ze slapen! Tot volgende week! En oja, volgende week is die deal rond.” Hij kijkt mij en de twee moeders trots aan. Wij steken voorzichtig een duimpje op.

Om ons heen kijken een stuk of twaalf kinderen geschokt naar hun ouders. “nee joh, dat meent die meneer niet hoor. Dat doen wij niet.” hoor ik verschillende moeders uitleggen. Ik kijk of Sara wat gehoord heeft, maar die zit met Hanna half aangekleed op de grond van de kleedkamer en speelt met het walgelijke klompje paars slijm. Ik kan niet wachten tot ik het kwijtraakt.

High tea en hoge verwachtingen

Een tijdje geleden zat ik in een tijdschrift te bladeren. Dat doe ik niet vaak, maar er zijn momenten dat ik dat fijn vind, tot ik foto’s zie van dames in kleding die zo duur is dat ik er een lening voor af  zou moeten sluiten. Ik denk niet dat ik het zou aandurven om iets te eten of te drinken in zulke dure kleding, wellicht dat die modellen daarom zo slank zijn. Spaghettisaus op een witte blouse van achttienhonderd euro is wel zonde namelijk. Maarja, ik bladerde dus door een tijdschrift. En mijn oog viel op een artikel dat me aansprak.

De titel was “10 activiteiten voor moeder en dochter”. De inleiding was een stukje interview met een pedagoge die vertelde over hoe belangrijk het was dat moeders activiteiten ondernemen samen met hun dochters. Echte meiden dingen. En daar was vast een goede reden voor, maar omdat het tijdschrift vooral gericht was op plaatjes en schreeuwerige kopteksten was deze gereduceerd tot: “Samen dingen doen zorgt voor bonding.

Misschien was ik er die dag extra vatbaar voor, misschien was het omdat mijn meiden de laatste tijd letterlijk aan het been van mijn man hangen, misschien vond ik negen van de tien activiteiten in het tijdschrift best leuk klinken. Maar wát het ook was, ik besloot terplekke dat ik dit ook met mijn meiden gaan zou doen. Lekker “bonden”, doormiddel van leuke “bonding” activiteiten, “all about the bonding”, want “Bonding is awesome!”

Dus na een weekje bedenken en zoeken besloot ik een mengelmoes te maken van drie bonding activiteiten:
1. Trek je mooiste kleren aan
2. Ga uit eten bij een chique restaurant
3. Laat haar je lievelingsplek zien.

Resultaat: in prinsessenkleding een high tea op de Euromast met uitzicht op Rotterdam.

Flash forward: Ik heb er zo veel zin in!!! Vandaag is het zover, alles is geregeld en ik ben helemaal klaar voor een partijtje bonding waar je U tegen zegt! Vandaag wordt een idyllische dag die we voor altijd zullen herinneren. Vanaf vandaag zullen de kinderen aan mijn benen hangen.

In de ochtend leg ik voor beide meiden een setje prinsessenkleding klaar. Mezelf tut ik ook op. Ik föhn mijn haar in de krul en  trek de jurk aan die ik speciaal voor de kerst had gekocht en dus maar één keer eerder gedragen heb. Voor beide meiden heb ik ook een kroontje want alleen een prinsessen jurk is niet genoeg. Het is alles of niets.

De meiden spelen lekker buiten en wanneer ik ze naar binnen roep hijs ik ze in hun schattige outfits. Hanna moet wel al gelijk huilen in de auto op weg naar de Euromast, dat schrijf ik toe aan de honger en dat zal door de high-tea wel opgelost worden. Sara zegt dat ze liever nog zou buiten spelen, maar ik roep “maar mama heeft een verassing!!” en alles is goed.

Eenmaal bij de Euromast zegt Sara: “hier ben ik al een keer geweest”. Hanna vraagt wanneer papa komt. Maar ik ben zo blij met deze bonding ervaring dat ik het allemaal van me af schud. De lift in, naar de vierde verdieping, het restaurant in. We worden naar een prachtige tafel gewezen en de serveerster is heel vriendelijk. De meiden kijken uit het raam en ik vertel over wat ze allemaal zien.
dan legt Sara haar wang tegen het raam en zucht: “dit is saaaaaai”.

Vanaf daar gaat het alleen maar bergafwaarts. Hanna geeft drie keer een vals signaal dat ze moet poepen, dus lopen we drie keer het hele eind en twee trappen af naar de toilet. Zonder succes. Bij de derde keer staan er als we terugkomen al twee prachtige etagères met lekker hapjes voor groot en klein. Voor de meiden staat er limonade en  het is duidelijk dat Sara dit zelf heeft geprobeerd in te schenken want er ligt een grote roze plas op het tafelkleed. Hanna neemt een hapje van een broodje. “Blughh” en ze spuugt het hapje uit. “Vies” zegt ze terwijl ze het perfect vierkante broodje met chocopasta, dat haar ultieme korstloze brood-droom moet zijn, terug legt op de schaal. Sara zegt nogmaals dat het hier saai is, maar eet gelukkig wel een stuk taart. Ik probeer te praten over de vakantie, over school, over het eten, over Rotterdam, over prinsessen en tekenen. Maar niets helpt en alles is stom. Hanna besluit dat ze weg gaat en loopt richting de lift. Ik ren er achteraan en zet een huilende Hanna terug op haar stoel.

Ik weet ondertussen niet eens meer wat de term “bonding” betekend. Ik dep limonade met servetjes, zeg tegen Sara dat ze geen filmpje mag kijken op mijn telefoon ondanks dat het saai is en onderschep de vierde ontsnappingspoging van Hanna. Niemand eet meer. We zien er mooi uit, maar daar houdt het mee op. Ik twijfel of ik met de twee boze stiefzusters van assepoester uit eten ben. Hanna staat met haar schoenen op een witte bank en Sara zegt dat ze moet plassen.

De serveerster is nog steeds super aardig als ik de rekening vraag. Terwijl zij de bon print ren ik met Sara naar de trap en zeg dat onderaan de trap de wc is. Ik ren terug naar Hanna en reken af. Vervolgens ga ik met Hanna  de trap af naar de toiletten om Sara op te halen. Ik krijg geen gehoor van Sara in de dames toiletten. Wel zet ik Hanna op een toilet voor een vierde poep-poging. Ik roep voorzichtig “Sara?” in de mannen toilet en maak een excuserend gebaar naar de man die omkijkt vanaf een pisbak. “ik kreeg mijn legging niet naar beneden…” hoor ik zachtjes vanuit het enige wc hokje. Vanuit mijn ooghoeken zie ik Hanna in d’r blote kont de dames toilet uitlopen.

Drie prinsessen staan zwijgend in de lift van de Euromast en stappen zwijgend in de auto.  “Heeft iedereen zijn gordel om?” vraag ik en herinner me vervolgens dat ik net zelf allebei de gordels heb vast gemaakt. We rijden door Rotterdam en ik kijk naar alle gebouwen die ik net heb aangewezen vanuit de Euromast. Ik rij langs ons oude huis en wil het aanwijzen, maar ik bedenk me en rijd er langs. “mag ik straks buiten spelen?” vraagt Sara en ik antwoord: “nee, je moet zo naar zwemles.”

Drie chagrijnige prinsessen komen thuis. Geen enkele prinses verteld over onze idyllische bonding van vandaag. Ik trek mijn kerstjurk uit en hijs mezelf weer in een spijkerbroek. Naast het bed ligt het inmiddels stoffige tijdschrift. Gefrustreerd smijt ik het in de oud papier bak.

Elke minuut telt

Het is nog steeds vakantie. En als je geen kinderen hebt is het heerlijk om met dat idee wakker te worden. Ik weet nog goed hoe het was. Je doet je ogen open, rekt je uit en kijkt op je telefoon. Je ziet 9.00 staan en denkt “ik draai me nog eens om”. Misschien ga je snel even plassen, je probeert je ogen zoveel mogelijk dicht te houden om de slaap-vibes te bewaren en kruipt snel weer terug onder je deken. De volgende tijd die je ziet staan op je telefoon is 12:30. En dan denk je terwijl je nog in je bed ligt na over wat je wilt ontbijten en welke kleren je aan gaat trekken. Je grootste dilemma is: ga ik eerst douchen  of eerst eten. Maar dat is het dan ook. Heerlijk…. Zo was het ooit…

Twee kinderen later zien mijn ochtenden er iets anders uit. En dan laat ik de werkdagen even buiten beschouwing.

Ik heb vakantie en lig lekker in bed. Mijn deken voelt als een warme omhelzing en het matras ligt zo lekker dat ik mezelf één voel worden met het mee-verende materiaal. Ik droom van een strand en palmbomen terwijl ik met een rietje een drankje slurp uit een met fruit versierd glas.  In de verte komt een ober aanlopen met mijn volgende drankje. De golven slaan op het strand en het zand straalt warmte af. Terwijl ik zonnebrand smeer (waaraan op magische wijze geen zand blijft plakken) hoor ik in de verte zeemeeuwen. Alles is perfect.

“mama…” hoor ik door de golven heen en ik zet mijn drankje neer. “mama!” hoor ik nog een keer, nu duidelijker. “mama, Ik ben wakker!!” het strand verdwijnt en ik open mijn ogen. Op twee centimeter van mijn gezicht zie ik twee paar blauwe ogen voor m’n neus zweven. Als ik mijn hoofd naar achter beweeg en m’n ogen zich eindelijk kunnen focussen blijkt het maar één paar blauwe ogen te zijn. De ogen van mijn jongste dochter.

“wakker, mama” zegt Hanna nog een  keer. Gedesoriënteerd grijp ik naar mijn telefoon om te kijken hoe laat het is, 6.50 geeft mijn veel te felle beeldscherm aan. Ik leg de telefoon weer neer en kijk nogmaals naar Hanna. Die staat met grote ogen en een nog grote glimlach afwachtend te kijken.
Mijn oudste is nog niet wakker dus ik begin mijn eerste poging om langer in bed te kunnen blijven liggen.

Ik schuif een stukje naar het midden van het matras en hou met één arm de deken omhoog. “kom maar” zeg ik. “maar wel stil zijn, iedereen slaapt nog.” En om het extra kracht bij te zetten benoem ik “de héle wéreld slaapt nog”. Hanna kruipt naast me. Ze is nog lekker warm en we liggen strak tegen elkaar aan. Dit heerlijke moment duurt welgeteld heerlijke 3 seconden. Dan prikt ze met een vinger tegen mijn neus en zegt “tuuuut”. Ik zeg nogmaals dat de hele wereld nog slaapt en Hanna aait over mijn wang. “slaap lekker”, zegt ze, om daarna “wakker worden!!”  te roepen en vervolgens de slappe lach te krijgen. Dit werkt niet.

Het geschater van Hanna is blijkbaar ook in de aangrenzende kamer te horen en het duurt niet lang of Sara staat ook aan het bed. “ik wil er ook bij” zegt ze stellig en ik doe weer met één arm de deken omhoog zodat ze naast Hanna kan aanschuiven. Maar nee, madam moet in het midden. Na haar al haar knieën en ellebogen tussen mijn ribben te hebben gevoeld heeft ze eindelijk haar plekje gevonden. En zo leggen we weer vijf heerlijke seconden vredig naast elkaar, voordat Sara zegt “ik wil naar beneden” en Hanna zegt “ik wil mee, ik wil spelen”.

In mijn hoofd vind nu een supersnelle rekensom plaats. Ik zal je de precieze details besparen, maar het komt er op neer dat ik alle kosten en baten bereken van een situatie waarin de twee meiden alleen beneden zijn en wij nog even boven in bed liggen. Heb ik de mooie wijnglazen opgeborgen? Slingert er ergens nog vingerverf of lijm rond? Hoeveel schade heb ik er voor over om nog even op mijn droomstrand te kunnen zijn? Als ik mentaal alle breekbare spullen heb kunnen lokaliseren zeg ik: “ga maar, mama en papa komen zo”.

Ik lig nog in bed. Beneden hoor ik gestommel, maar het klinkt niet alsof er iets kapot gaat, niets waardevols in ieder geval. Ik hoor de meiden lachen en daarna hoor ik Hanna even au roepen, maar daarna gelukkig weer lachen. Er zijn dus geen verwondingen waarvoor ik nu gelijk naar beneden moet komen.

“ik heb honger!!” klinkt het onderaan de trap. Ik maak weer een mentaal  kostenplaatje. Vind ik het tien minuten extra bed-tijd waard om de meiden zelfstandig een kuipje smeerkaas leeg te laten lepelen en vervolgens hagelslag op een boter-loze boterham te laten storten? Prima, is mijn conclusie. “Pak zelf maar wat!” Fluister-roep ik vanuit bed. Ik heb vakantie, ik ruim het later wel op.

Als even later ook “dorst!” naar boven wordt geroepen probeer ik te bedenken hoe groot een plas melk van 1,5 liter is. Aangezien dit zeker weten het gevolg zal zijn van een poging om zelf drinken in te schenken. Heb ik de energie om met mijn slaperige hoofd 5 vierkante meter melk op te ruimen? Is dit het waard om nog langer voor in bed te blijven liggen? Nee.

Ik sla de deken van me af, ruk me los van mijn matras en zeg daarmee vaarwel tegen het strand en de palmbomen. Eenmaal beneden kan ik nog net Sara onderscheppen die het volle pak melk gevaarlijk schuin houdt. Het kuipje smeerkaas is voor de verandering niet leeggegeten, maar ligt wel op zijn kant op het aanrecht. Op een bordje ligt een boterham met hagelslag, bij nadere inspectie blijkt er smeerkaas onder te zitten als plakmiddel. Dit was mijn extra bed-tijd wel waard.

Ik zet de meiden aan tafel en geef ze een boterham met iets minder avontuurlijk beleg en een glas melk. Zelf pak ik een glas sap. In een mooi wijnglas en op de rand duw ik een aardbei. Tropischer  dan dit zal het vandaag niet worden.

Nieuw ronde, nieuwe kansen.

Het is vakantie! En wij hebben het geluk dat we in een straat wonen met heel veel kinderen, dus er is altijd wel iemand om mee samen te spelen. Het is een levendige buurt en iedereen mag bij elkaar in de tuin komen. Dus als het lekker weer is hebben de kids alle trampolines, zandbakken, steppen, skates, schommels en voetballen van de hele straat tot hun beschikking. Soms is er even ruzie om iets, maar meestal gaat alles vredig en is er niet veel gedoe wanneer ze buiten spelen.

Het échte gedoe begint pas als het regent. Zoals vandaag.

Ik wordt wakker en hoor gelijk dat er regen op mijn burgerlijke veluxramen valt. “Oh neeeee….”. Ik kijk snel hoe laat het is. Het is 7:15. Ook hoor ik dat Sara al bij Hanna op de kamer is en dat ze samen aan het ravotten zijn. Nog steeds passen ze samen in het ledikant van Hanna en ze kunnen zich er rustig een uur in vermaken. Maar daar hebben vandaag we geen tijd voor, want het regent, dus ‘De veiling klok is gaan lopen’. En je denkt vast “huh? Wat heeft een veilingklok hiermee te maken?”.

Ik zal het uitleggen:

Bij een veiling, bijvoorbeeld een bloemenveiling, wil je als de klok loopt zo laat mogelijk drukken om de prijs zo laag mogelijk te krijgen, maar je moet wel snel genoeg drukken om als eerste te zijn. Dus speel je samen een zenuwslopend spelletje waarin je zo lang mogelijk wacht en tegelijk de ander voor wilt zijn.

Op regenachtige dagen willen kinderen binnen spelen. Dus ik zie voor me dat alle ouders in de wijk op regenachtige ochtenden, zenuwachtig kijkend op de klok, proberen in te schatten wat een schappelijke tijd is om je kind de deur uit te gooien om ergens anders te gaan spelen. In de hoop dat er niet een ouder is die één minuut eerder zijn kind uitzwaait bij de voordeur en roept: “kijk maar of ze thuis zijn, ok? Lekker spelen he!”. Want als je te laat bent dan heb je nog vóór 10.00 uur een huis vol kinderen en een woonkamer vol glitters, snippers, lego, poppen, stiften en klei.

Dus terwijl ik Sara aankleed kijk ik op de klok, 7:45. Terwijl Sara een boterham eet kijk ik op de klok, 8:15. Ze mag nog wel even tv kijken, 9.00. In mijn hoofd maak ik de afweging en discussieer ik met mezelf: “normaal zou ze al dertig minuten op school zitten, dus dit wel een nette tijd toch?” “maar het is vakantie, het is te vroeg”. “niemand met kinderen slaapt uit, dus ze zullen wel wakker zijn” “maar misschien moet ik wachten tot half tien.”

Ik besluit nog een kwartier te wachten en schil een appel voor Sara terwijl ik op de klok kijk. Ik kan ook niet té lang wachten met haar richting een vriendinnetje te sturen, want dan staan ze al hier aan de deur en dan zit ik met het hele circus hier. Dus om stipt 9.25 stuitert Sara de deur uit, door de regen naar een paar huizen verderop. Ik hoor de voordeur open gaan en gelijk daarna hoor ik een meisje roepen: “jaaaaa we gaan knutselen!!”. Vanaf een andere kant zie ik nog twee buurmeisjes aan komen rennen, ze dragen regenjasjes en laarzen. Ze verdwijnen allemaal in hetzelfde huis.

Rond 12:00 komt sara terug, met een knutselwerk overladen met glitters, snippers en stickers. Ik kan me alleen maar voorstellen hoe het huis eruit moet zien waar dit kunstwerk tot stand is gekomen.

Wanneer ik later die middag de vuilnisbak op de stoep zet kom ik de buurman van een paar huizen verderop tegen. Hoi. Haay. “Ook lekker vakantie?” vraag ik. “jazeker” antwoord de buurman terwijl hij zuchtend wat glitters van zijn shirt klopt. Als hij zich omdraait zie ik een sticker op zijn broek zitten.

Ik denk zomaar dat de veilingklok morgenochtend wat vroeger begint te lopen.

Filostrofie

Ik weet niet hoe het met jullie is, maar mijn brein draait overuren. Dat komt omdat ik, net als veel mensen, in de ban ben van het corona virus. Het klinkt wetenschappelijker als ik COVID-19 zeg. Of je er nou aan toe wilt geven of niet, je kan er gewoon niet meer om heen. 

De laatste dagen denk ik vaker wél dan niet aan corona. En ik ben nog wel een adhd’er, dus mijn spanningsboog is niet zo lang. Maar op alle momenten dat er in adhd-grapjes “squirrel!!” wordt geroepen denk ik nu “corona!”. Dus dat is zo’n 1000x per dag…

Hoestende mensen, winkelmandjes aanraken, loopneuzen, televisie, radio, lege schappen in de supermarkt, afgelaste evenementen en elke keer dat ik wcpapier gebruik. Alles, maar dan ook echt alles, schreeuwt: CORONA!

Wat een gedoetje! Om in de woorden van Rene Gude te spreken. Ik moet de laatste tijd ook vaak aan hem denken, de denker des vaderlands. Dat komt vooral omdat er een beroep wordt gedaan op mijn “visie op lastige levenskwesties”. Dit is iets wat niet zo heel vaak gebeurd, gelukkig. Maar situaties die mijn gemoederen bezig houden hebben dit effect. Dus de corona-crisis is een goede aanleiding tot een potje filosofie. 

Vandaar de term: filostrofie, Het filosoferen over belangrijke zaken in het leven n.a.v een crisis of catastrofe. 

Gude had het over hoe individualistisch de nederlandse maatschappij is; de sfeer dat iedereen het zelf maar moet uitzoeken. Trek je eigen plan, zorg voor je eigen papiertje, doe het allemaal zelf, wees vernieuwend en origineel. En de laatste dagen merk ik dat deze insteek me voor dilemma’s stelt.

Zo hoor ik bijvoorbeeld op televisie de adviezen van het RIVM, allemaal wijze mensen hebben hierover nagedacht en afwegingen gemaakt zodat ik hier niet meer over na hoef te denken. Mijn innerlijke brave burger zegt dan ook:”Wat fijn! Een plan waar iedereen zich netjes aan kan houden en dan komt het goed!”. Maar er is ook de koppige Nederlander in mij die sceptisch is en zegt: “kuddedieren, ik doe lekker mijn eigen ding. Een béter ding! Blijven jullie allemaal lekker thuis, dan ben ik de enige in de supermarkt. Dat is ook een vorm quarantaine.” 

Waarom heb ik zo’n moeite met de orders die ik krijg? Waarom vind ik het lastig om me hierbij neer te leggen? Is nederland nu de lul omdat we allemaal denken dat “mijn manier de beste manier” is? Zijn we zó individualistisch, dat het enige dat we straks in Nederland met elkaar gemeen hebben is dat we allemaal individualisten-met-corona zijn? 

Gude zei ook: twijfel niet meer dan nodig, je leert er niets van. En toch doe ik niet anders. Ik heb de hele dag discussies met mezelf. Zo zou ik eigenlijk met vriendinnen een avondje wijn drinken. Maar RIVM raadt onnodige sociale contacten voorlopig af. Maar evenementen tot honderd man kunnen doorgaan. Is wijn drinken met drie vriendinnen een sociaal contact of een klein evenement? En als het een sociaal contact is, wanneer is het dan onnodig? 

Gelukkig vonden we het alle vier een hoog nodig sociaal contact of een evenement onder de honderd man. Proost!

Deze COVID-19 crisis is een filostrofie. Het zet je aan het denken. Op alle vragen die ik hierboven stelde heb ik dus ook geen antwoord. Soms is er ook geen pasklaar antwoord en op andere vragen geeft het RIVM je een pasklaar antwoord en binnen die kaders geef je het alsnog een eigen invulling.

Misschien zitten we straks allemaal verplicht binnen voor een aantal dagen of weken, heb je ineens zeeën van tijd om over alles na te denken (Of te netflixen, maar dat raak je ook zat). En dan zit je aan de keukentafel, volgens Rene Gude de beste plek voor filosofie, hoor je ineens jezelf denken: 

“corona is toch best wel een gedoetje.

Blog zonder sponsor

Vage kennis, uit beleefdheid: “heey, hoe is het?”
Ik: “Wat mij het meest bezig houdt naast mijn werk, kinderen en muziek maken, vraag je? Wat leuk dat je ernaar vraagt! En zo spontaan ook! Weetje wat? Ik zal mijn eerstvolgende blog eraan wijden.”

Planten, het antwoord is planten. Planten voor in de tuin, planten voor binnen, grote planten kleine planten, staande planten en hangende planten. En gelukkig heb ik een man die het (tot op zekere hoogte) ook leuk vindt. Want planten houden is niet zomaar een hobby die je op zolder doet. Nouja, misschien óók op zolder…hoeveel planten zou ik op zolder kwijt kunnen? Waarom heb ik hier nog niet eerder over nagedacht!? Maar ik dwaal af…

Ik heb nu in totaal 25 planten in mijn woonkamer staan. Dus nee, een échte urban jungle is mijn huis niet. Maar wanneer ik ’s avonds op de bank zit en ik kijk om me heen, dan overvalt me vaak wel het gevoel dat ik toch zeker de belichaming van moeder natuur ben. En ook overvalt me het gevoel dat ik heel veel geld uitgeef bij Intratuin.

Zo betrapte Arno mij een keer bij thuiskomst, terwijl ik een plant bemoedigend toesprak over een nieuw blad dat hij aan het maken was. Ik zag Arno twijfelen of hij wellicht een moment tussen mij en mijn Alocasia verstoorde. En toch is hij er ondertussen wel aan gewend dat ik tegen mijn planten praat of dat ik er juist heel stil naar staar met een ernstig gezicht. Ik ga zelfs zo ver dat ik een keer een brief heb geschreven aan een Begonia om onze beschadigde relatie te redden.

“ Lieve stippen begonia,

Dit is je laatste kans. Al 2 jaar lang doe ik er alles aan om je blij te maken. Ik speur op het internet naar tips, ik geef je een beetje meer dit en een beetje minder dat, ik pas de hele omgeving aan jou wensen aan. En toch is de liefde niet wederzijds. Elke keer als ik denk dat we samen door één deur kunnen laat jij geheel onverwacht en zonder voortekenen een van je mooiste bladeren vallen.
Nu is het klaar, er zijn nog maar 4 takken van je overgebleven. Ik heb je nu voor de laatste keer een nieuwe pot gegeven, nieuwe aarde en het laatste beetje liefde dat ik voor je over heb. Bij het eerste en het beste blad dat jij onaangekondigd laat vallen pleur ik je in de kliko.

Groetjes,
Je getraumatiseerde eigenaar ”

Het mocht niet baten, diezelfde avond liet hij nog een blad vallen en voegde ik daad bij woord. En achteraf was hij in de GFT bak ook prima op z’n plek, geen spijt.
Want de meeste spijt heb ik van een plant die ik niet heb gekocht. Want het ging gelijk begin 2020 al mis.

“ 14 januari 2020:

Na twijfelen, dubben, kijken, weglopen en weer terug komen, toch de mooiste plant van de wereld laten hangen in de winkel. Ondanks dat de Intratuin mevrouw zei dat het de enige is en dat ze hem na deze nooit meer binnen krijgen. Maar ik liet hem toch hangen.
Toen wees ik maar een andere mooie plant aan en vroeg ik aan diezelfde vrouw of deze erg groot zou worden. Ze keek ernaar, dacht even na en zei toen: “neuh”. Dus nam ik de plant mee richting de kassa.
Onderweg lopen we langs de MOEDER aller planten. Een plant met mega veel en mega grote bladeren. Bijna twee meter hoog! Met dezelfde naam als de kleine plant die ik vast heb… maar deze plant is mijn troost plant dus hij gaat toch mee.”

Mijn kleine troost plant, die dus eigenlijk een baby plant bleek te zijn, wordt ondertussen al best groot. Maar hiermee stopte het niet. Want ik ging terug!

“1 februari 2020:

Vandaag weer naar Intratuin geweest. Ik kan daar elke dag eigenlijk wel naartoe. En ik wil/kan elke dag met een nieuwe plant thuiskomen.
Nu had ik daar twee weken geleden DE hangplant van mijn dromen gezien en deze laten hangen (why?!!!) En wanneer hij er bij mijn volgende bezoek nog zou hangen, dan zou ik hem kopen. Maar tot mijn grote spijt hing hij er vandaag niet meer, duh, de verkoopster had al gezegd dat dit de enige was…

En toen gebeurde er iets geks, ik wilde gelijk helemaal geen enkele andere plant kopen. Ik doorliep binnen 2 minuten de eerste vier fases van rouw.
– Ontkenning: ze zullen de plant wel ergens anders in de winkel geplaatst hebben, even zoeken.
– Boosheid: iemand anders heeft $%&@!! mijn plant meegenomen.
– Onderhandelen: ik kan nu ook 5 andere planten meenemen en thuis de “ik ben zo zielig, mijn mooie plant was weg” kaart spelen.
– Depressie: Kut planten, ik ga gewoon geen enkele plant meenemen. Ze gaan toch dood… alles gaat dood…


Acceptatie fase heb ik nog niet bereikt. Want mocht ik ooit de persoon tegen komen die MIJN plant voor m’n neus heeft weggekaapt, dan krijgt diegene een beuk voor z’n harses.
In plaats van een plant die groeit heb ik nu voor persoonlijke groei gekozen. Ik heb twee nieuwe boeken gekocht. Maar het stickertje wil er niet netjes vanaf, nu heb ik een cursus mindfulness nodig, voordat ik kan beginnen met lezen zonder een paniek aanval te krijgen van de plakkerige sticker resten. Persoonlijke groei…”

Maar vandaag werd het mij teveel, waarom heb ik die plant niet gekocht?! Ik ben al meerdere malen terug geweest in de hoop hem te zien, zonder succes. Dus besloot ik actie te ondernemen, door middel van de volgende (lichtelijk aangedikte) mail naar de klanten service van Intratuin:

“ 28 februari 2020

Goedenavond meneer/mevrouw,

Een tijdje geleden hing er bij Intratuin Zevenhuizen één hele mooie grote Ric Rac cactus, de officiële naam: Cryptocereus anthonyanus. Hij had echt slierten van een meter lang. Het was liefde op het eerste gezicht, maar ik kon hem niet meenemen. Er was er echt maar één en die was helaas verkocht toen ik de volgende dag terugkwam 😦  super jammer, en nu heb ik een gebroken hart…

Nu zie ik telkens wel een andere soort zaagcactussen hangen bij verschillende locaties van Intratuin, maar niet mijn mooie soort… en die “verkeerde” soort is een beetje een anticlimax vergeleken het exemplaar dat voor mijn neus is weggekaapt (ik koester nog wat wrok zoals u leest)

Dus onder het mom van “niet geschoten altijd mis” hier mijn vraag:
Is er een mogelijkheid om er 1 te bestellen? Ik heb een plaatje in de bijlage gedaan, just to be sure. Zodat u weet over welke plant ik het heb, want winkelmedewerkers wijzen mij de telkens naar de zaagcactussen die ik niet wil hebben. 

Ik hoop dat u mij kan helpen en ik hoor graag van u!

Groetjes Krista” 

Disclaimer: Deze blog wordt geenszins gesponsord door Intratuin. Maar mocht ik een positieve reactie op mijn mail krijgen, bijvoorbeeld in de vorm van (ik noem zomaar wat) een gratis Ric Rac cactus, dan sta ik er niet geheel afwijzend tegenover om hen vaker te pas en te onpas in mijn blog te noemen.

veilige modus

Ik denk dat iedereen wel eens dit soort dagen heeft. Misschien ben je wel heel verdrietig of boos over iets, of er gebeurt iets waardoor je helemaal uit je doen bent. Wellicht is je hoofd te vol met gedachten, zoals drukte op werk, rekeningen, post, kinderen en ga zo maar door. En op het moment dat je denkt een mental breakdown te krijgen dan gaat je brein over op Damage control.

Natuurlijk heeft niet iedereen dit en staat het je vrij om te reageren zoals je wilt op het moment van een mental breakdown. Wil je huilen? Wil je in bed liggen? Een wijntje drinken? Wil je huilen in bed met een wijntje? Vooral doen!
Maar in mijn geval drukt mijn brein-poppetje meestal op de grote rode knop met de opdruk damage control. Het is tenslotte niet handig om met je fles Chardonnay onder de lakens te kruipen als de kids uit school gehaald moeten worden en uiteindelijk wel graag avondeten zouden willen hebben.

Zelf noem ik het “opstarten in de veilige modus”. Vroeger…nee…vroegah deed je dat wel eens met je computer als je dacht dat je een virus had binnen gehaald (met het downloaden van het nieuwste liedje van Greenday). Je drukte dan tijdens het opstarten van je computer op F8 en dan startte hij in veilige modus op. Dit betekent dat je computer functioneert met de minimale stuurprogramma’s die nodig zijn om hem te laten draaien, het gaat iets langzamer dan normaal maar je kunt nog altijd bij al je belangrijke bestanden.

Wanneer je dit zou vertalen naar een menselijk brein, dan betekent dit dat je niet meer of minder doet dan wat er minimaal nodig is om je dag door te komen. Tegelijkertijd kun je ondanks alles toch nog alle liedjes op de radio meezingen.
Dus terwijl ik met Adele mee brul, smeer ik een boterham voor de overblijf en prop deze met een ligakoek en een pakje drinken in sara d’r rugtas. Deze dingen kan ik, zonder al te veel na te denken. In een ooghoek kijkt er een traantje of de kust al veilig is, maar trekt zich vervolgens terug wanneer hij ziet dat ik mijn moeder moet bellen of deze de kids uit school kan halen aangezien ik gewoon moet werken.

Na school checkt de brok in mijn keel of er al gelegenheid is om heel hard te huilen, maar nee… Is er dan zelfs geen mogelijkheid om even iets kapot te gooien? Nee, want Sara en Hanna tekenen aan de keukentafel.
“kijk eens!” er wordt een tekening omhoog gehouden. “mooi!” zeg ik met een brede glimlach. Ik kijk wel, maar ik zie de tekening niet. En op diezelfde manier heb ik ook al gevraagd of ze wat willen drinken, zonder naar het antwoord te luisteren.

Wanneer je een computer opstart in de veilige modus geeft dit je de kans om te identificeren waar het probleem vandaan komt. Het lost het probleem niet voor je op! Dus dit betekent dat de eerstvolgende keer dat je niet in veilige modus opstart je het virus moet verhelpen.
Voor mensen betekent dit dat je even goed moet huilen, naar een begrafenis moet, wellicht een mok kapot gooit of je post moet openen.

Veilige modus voelt voorlopig nog even veilig.

Honderd feestdagen

Ik gooi een lepel naar arno en houd een potje appelmoes omhoog. Het is 21:30 en Arno kijkt me, lui op de bank hangend, vragend aan. Ik ben net thuis van mijn avonddienst en kijk verontschuldigend naar hem. Wanneer ik merk dat de lepel en de appelmoes wat meer uitleg nodig hebben zeg ik: “Hanna moet morgen een potje meenemen naar de opvang zodat ze voor kerst een windlichtje kan beplakken.” Zwijgend eten we samen een potje appelmoes leeg terwijl we tv kijken.

Het is december: De maand van de feestdagen! En blijkbaar moet je wanneer je kinderen hebt op meerdere fronten tegelijk feestdagen organiseren. Wanneer je dacht klaar te zijn met je eigen kerstmenu komt er nog een hele reeks aan opdrachten en aanvragen vanuit school en de dagopvang. Wat eigenlijk natuurlijk super tof is, want alle juffen en meesters steken een hoop moeite in alle SinterKerst projecten. Maar het vergt een hoop toewijding en planning als ouder zijnde.

Om maar een voorbeeld te noemen. Beide meiden mochten met sinterklaas een schoen zetten. De ene op school, de ander op de dagopvang. Maar hoe krijg je zo’n schoen op school? Want zo’n schoen blijft de eerste drie pogingen op de eettafel staan (“zet hem maar op de eettafel dan vergeten we hem niet”). Vervolgens blijft de schoen in het tweede stadium vijf dagen in de auto liggen (“waar heb je die schoen nou gelaten?!”). Daarna komt de schoen (één dag voor de deadline) in de overblijf rugtas mee  naar huis. De tas leek de meest handige plek voor de schoen, om er van verzekerd te zijn dat de schoen op school aan zou komen. Maar vervolgens komt deze dus netjes retour, omdat hij niet uit de rugtas is gehaald. Je overweegt nog even om je dochter gewoon één van de schoenen uit te laten trekken wanneer je haar op haalt van school, dan maar op d’r sok door de regen lopen. Maar op de dag des oordeels smijt jij met een klap die verdomde schoen tussen dertig andere schoentjes bij de kartonnen open haard in de klas.

Toch was de Sint (ik dus) dit jaar verder heel anticiperend bezig geweest, door toevallig beide meiden twee snoezige outfits te geven, eentje voor eerste en eentje voor tweede kerstdag. Goed he! Die Sint heeft soms zijn zaakjes wel op orde!! Maar nu kom ik gister op school in de klas, hoor ik een moeder zeggen tegen de juf: “waar moet ik de trui laten die jullie woensdag gaan versieren?” welke trui?! Wat?! ik weet niets van een trui… Ik lees afwezig nog een bladzijde uit een boekje voor aan sara.

Dus ik laat doordacht, na mijn interne paniekaanval, heel onopvallend even niets van me horen om vervolgens heel nonchalant aan de juf te vragen: “Die trui dus, ik heb een beetje moeite daarmee. Wat voor een trui is nou handig om mee te nemen?”
Maar deze juf is niet nieuw in dit vak, nee, ze is niet van gisteren en kent de nukken van de 2019-ouders. Dus speelt ze dit spelletje overduidelijk met mij mee en zegt vriendelijk doch nadrukkelijk: “nou, aangezien we de trui gaan versieren voor kerst is een egale kleur trui wel het makkelijkst. Zodat ze de trui naar het kerstfeest op school aan kunnen trekken” Ik mompel iets in de trend van “ja egaal ja.. handig… dat dacht ik al”

ik loop de school uit en Arno heeft 5 gemiste oproepen van mij. Ik app hem vier keer dezelfde tekst. “SARA MOET EEN TRUI MEE NAAR SCHOOL NEMEN OM TE VERSIEREN, EEN EGALE TRUI!! PAK DIE WITTE TE KLEINE WITTE TRUI DIE TOCH AL VIES IS! VANDAAG MOETEN ZE DIE TRUI OP SCHOOL HEBBEN!”

Dus morgen help ik, geheel onververwacht, met kersttruien versieren! En wellicht durf ik, tussen neus en lippen door, aan de juf te vragen of Sara haar schoen misschien nog ergens in de school ligt. Maar ik ga nu eerst alvast drie dozen eieren voor Pasen halen.

Met de billen bloot

Woensdag. Tijd om naar zwemles te gaan. Ik pak Sara goed in want het is stervenskoud buiten. Zoals gebruikelijk gaan we, in plaats van ruim op tijd, net te laat weg. Want ook al begin ik een halve dag van te voren met weg gaan, het moment dat de voordeur open gaat zijn we iets vergeten of moet er iets gebeuren. En vandaag was het “ik moet plassen”…. Winterjas uit, sjaal af, muts af, broek naar beneden. Plassen. Hemd in onderbroek, shirt in broek, trui naar beneden, winterjas aan, sjaal om, muts op.

16:26: We kunnen gaan!!
Gelukkig begint de les pas om 16:30…

Maar ja, zoals ik dus al zei was het erg koud. Dus ik kon de verbazing in Sara haar stem begrijpen toen ze bij het uitstappen van de auto keihard tegen me zei: “mama, kijk nou, die mevrouw heeft helemaal geen broek aan!”
Ik kijk op en zie tot mijn eigen verbazing inderdaad een mevrouw voor ons lopen met een dikke winterjas en zwarte laarsjes, maar zonder broek. Wanneer ik nog een keer goed kijk en met mijn ogen knijp zie ik dat de broek er wel degelijk is, maar dat het de vrouw een goed idee leek om een vleeskleurige, roze-achtige legging aan te doen. Als ik nog beter kijk zie ik ook dat de vrouw Sara luid en duidelijk heeft gehoord en mij overduidelijk ziet staren.
Verschrikt zeg ik tegen Sara: “Jawel hoor, die mevrouw heeft wel een broek aan, alleen lijkt het door de kleur net alsof ze geen broek aan heeft.” De mevrouw kijkt weer verontwaardigd achterom en trekt haar jas een stukje over haar billen heen.
Ik krijg het ondertussen behoorlijk warm in mijn winterjas.

Gelukkig lopen de-vrouw-zonder-broek en wij een andere kant op zodra we het zwembadgebouw binnen zijn en opgelucht haal ik adem. Mijn bril beslaat gelijk van de tropische zwembad temperatuur.

Ik hijs Sara in d’r zwempak, waarbij er eerst twee benen in één beengat zitten, dan zit haar hoofd op de plek waar haar arm hoort en als laatste zit het hele ding achterste voren. Ik heb het bloedheet tegen de tijd dat het badpak eindelijk op de juiste manier aan getrokken is en ik gooi mijn jas aan de kapstok. Terwijl ik Sara naar de deur van het zwembad  breng maak ik een grapje tegen haar: “Het is hier zo warm dat ik nu wel graag in mijn blote billen had willen lopen, net als de-mevrouw-zonder-broek”. We lachen er hard om.
Wanneer ik me omdraai loop ik bijna tegen de-mevrouw-zonder-broek aan

Normaal zit ik altijd bij de ramen met de andere ouders, om te kijken hoe Sara alles doet behalve wat de zwemleraar zegt. Dit keer verschuil ik me achter een tijdschrift bij de leestafel en hoop dat er niets meer zal gebeuren dat deze zwemles nog ongemakkelijker maakt. De tijd tikt langzaam weg en terwijl ik in de Vogue naar “heerlijk simpele vrijetijdsjurken” van 2785,- kijk, zakt ook het hele incident naar de achtergrond weg.

Aan het einde van de zwemles wacht ik tussen de andere ouders Sara met een handdoek op na het douchen. Sara komt blij de douche uitrennen. Wanneer ik de handdoek om haar heen wil slaan draait ze zich om en zegt: “kijk ik heb een nieuwe broek, maar je ziet hem niet!” Ze heeft haar badpak tussen d’r billen gedaan en doet een blote billen dansje. Ik wikkel de handdoek snel om sara heen en we verdwijnen tussen de giechelende menigte door de kleedkamer in. Vanuit mijn ooghoeken zie ik de-mevrouw-zonder-broek. Terwijl ik Sara afdroog en aankleed heb ik het nu toch écht héél warm en slinger ook mijn trui aan de kapstok. Om vervolgens, wanneer Sara weer helemaal winterproof is ingepakt, alles weer aan te trekken.

We lopen zonder iemand aan te kijken snel naar buiten, de winter in. Eindelijk, frisse lucht! Nu we uit de gevarenzone zijn kunnen we eindelijk lachen om Sara haar blote billen dansje. Giebelend stappen we de auto in. Ik draai me naar de achterbank om te kijken of Sara haar gordel vast heeft gekregen en daarbij leun ik per ongeluk op de toeter. Ik draai me verschrikt terug en kan wel door de grond zakken….Ik kijk in de grote ogen van een mevrouw die alleen een dikke winterjas en zwarte laarsjes aan heeft.