Rijden in een wagentje

“Hooow hooo hooowww stop, hoooo joh!” roept Arno. Ik rem en kijk hem verschrikt aan. Vanuit de passagiersstoel kijken twee grote ogen terug. Hij weet het, ik weet het. Rustig zet ik de auto verder achteruit in de parkeerplek.

Arno vertelde mij ongeveer 12 jaar geleden dat hij nachtblind is. Dat vertelde hij terwijl hij over een vluchtheuvel reed op de Nieuwe binnenweg, gelukkig was dit voordat deze werden verhoogd voor de tramhaltes. Ik geloofde hem gelijk, misschien is hij ook wel dagblind. Maar ik had mijn rijbewijs toen zelf nog niet. Sindsdien doe ik aan meerijden. En ik bedoel niet dat ik letterlijk mee rij, ik heb het over mentaal meerijden. Ik kijk mee, rem mee en stuur mee.  Ook nu ik zelf mijn rijbewijs heb.

Dus ik weet dat arno nachtblind is, ik heb nu zelf mijn rijbewijs, maar toch als we weg gaan met de auto is arno bijna altijd degene die rijdt. Het is zo gegroeid, we hebben er nooit een muntje om getost, het is een stilgezwegen afspraak. Misschien is het omdat Arno twee meter is en nooit lekker zit in de bijrijders stoel, laat staan achterin. Wat resulteert in een hoop gezucht en gesteun vanuit zijn kant en een oneindig gewurm om een positie te vinden waarin zijn knieën niet naast zijn oren zitten of klem tegen het dashboard. Dus arno rijdt en ik roep af en toe “fiets!” of “die gaat van baan wisselen!”. Soms maak ik een dat-ging-bijna-mis geluidje, het is een geluidje dat ik maak door snel in te ademen tussen mijn tanden door.

Maar ik denk dat iedereen zijn eigen versie van het dat-ging-bijna-mis geluidje heeft. Ook denk ik dat elke man het wel herkent dat vrouw meerijdt in de auto. En ik denk ook dat vrouwen zeker weten dat er ooit een aanleiding is geweest om dit te gaan doen. Maar ik herinner me wel dat mijn ouders, voordat er tomtoms bestonden, altijd met een de kaart naar Frankrijk reden. En mijn moeder moest dan wel meerijden, want als je een afslag mist in de buurt van Lyon dan rij je zomaar een uur langer in de file. De camping was ook altijd in de middle of nowhere, aan een onverharde weg en toch kwamen we altijd aan dankzij de kaart-lees kunsten van mijn moeder. Dus blijkbaar kunnen we wel samen in vrede auto rijden.

Ergens is het idee ontstaan dat vrouwen zomaar meerijden en zich aanstellen. En ergens is een lotgenoten groep van mannen die een vrouw hebben die meerijdt. De AA, Automobilisten Anonymus. “Hallo, ik ben Arno, en deze week heeft ze vijf keer geroepen dat die auto ging remmen… we stonden in de file…” en zo gaan ze het rondje af. “Mijn vrouw riep eergister fietser! En toen heb ik een minuut stilgestaan voordat de desbetreffende fietser daadwerkelijk overstak, zo ver weg was ie nog!” en daarna drinken ze (alcoholvrij) bier en houden inparkeer wedstrijdjes.

Maar van de week was het zover. Eindelijk zat ik een keer achter het stuur, arno zat naast me en de kids achterin. We gingen langs bij mijn ouders en ik rij de straat in op zoek naar een plekje. Ik rij een steekvlak voorbij en zet de auto in z’n achteruit en begin met inparkeren. Halverwege mijn parkeermanoeuvre roept Arno ineens keihard: “Hooow hooo hooowww stop, hoooo joh!”
“waarom?!” roep ik terug. “ik dacht dat je er tegenaan zat,” zei arno iets minder overtuigd dan zijn eerdere uitroep. Hij weet het, ik weet het.

Deze uitroep was zo hard, zo luid, zo intens dat hij tot twee generaties terug meerijdende vrouwen gecompenseerd heeft. En de huidige generatie kan ook weer even vooruit. Dames, we zijn vrijgesproken! Ik parkeer de auto verder in en loop met opgeheven hoofd richting de voordeur van mijn ouders. Deze dag gaat de boeken in.

“Hallo ik ben Arno, en deze week heb ik zelf stop geroepen terwijl mijn vrouw reed…”

Kolder op zolder.

“Nee joh, je maakt een grapje!” Zegt arno. “Nee, ik maak geen grapje” zeg ik. Het staat er echt. Positief. U heeft een corona test gedaan en de uitslag is Positief.

Lig je dan, dag 3 in quarantaine op zolder. Mijn schore stem en hoestje blijken na een test toch echt corona te zijn. Weet niet zo goed wat ik daarvan vind, behalve dat ik me “vies” voel en niet weet waar ik het heb opgelopen. Dus nu moet ik een soort van SOA belrondje doen, iedereen die ik vanaf vrijdag heb gezien. “Ik heb het, je moet je misschien ook laten testen, want jij kan het ook hebben.”

Werk belt, ggd belt, medisch team van werk belt. Ze vragen nog net niet mijn hele stamboom en alle plekken waar ik sinds 2000 op vakantie ben geweest. Ik maak het grapje dat ik sinds corona mijn drang om aan metropalen en deurklinken te likken aardig onder controle heb. Mevrouw vindt het niet grappig. Wat een gedoe! Kan het niet anders omschrijven dan dat, wat een gedoe. Ouders getest, vriendinnen getest, arno mag zondag testen. Gedoetje.

Voel me stom, alsof ik iets heb gedaan wat niet mag. Alsof ik zo’n tokkie was die tijdens Rutte met pannen aan het slaan was en stond te gillen (stiekem was ik dat ook en ben ik daarom zo schor, shshshst). Alsof corona hebben een character flaw is. Terwijl ik me naar mijn idee niet zo hoef te voelen, want hoe kritisch ik ook ben op alle maatregelen, ik hou me er wel aan.

Dus ook nu. Ik zit nu op zolder met, gelukkig alleen maar, hoest en lichte griepklachten en mag er zondag pas vanaf. En arno en de kids zitten in de rest van het huis in quarantaine.
Arno brengt me heel lief eten en drinken op afstand,vanaf het trapgat. Sara en hanna komen af en toe even spieken, ze komen stiekem steeds dichterbij tijdens het kletsen en dan stuur ik ze weer een stukje naar achter.

Vanmiddag kwam hanna even in dr eentje buurten. Ze stak haar hoofd boven het trapgat uit en vroeg: “Mama, jij bent toch ziek met corona?” Dat kon ik beamen. Hanna gooit iets naar me toe en zegt: “hier, een coroon voor op je hoofd”.

We zitten het maar uit, met m’n duffe coronakop met m’n coroontje erop.

***

Dag 4 quarantaine. Ik ben in de tuin geweest. Netjes in mijn eentje. Hibiscus gesnoeid, druivenstruik (waarvan ik elk jaar denk dat ie dood is, maar toch niet) gesnoeid, blaadjes geharkt, geveegd, de tuinmeubels wat beter afgedekt. Effe lekker in de frisse lucht, zonnetje erbij. Prima.

Maar het langste heb ik stil gestaan bij een vondst die ik deed onder de bladeren. Een paddenstoel! En aangezien ik toch nergens heen hoef en nergens heen mag, heb ik eens goed gekeken naar hoe die eruit zag. Wat voor een paddenstoel zou het zijn? Zag eruit als een kastanje champignon. Maar ik zag geen voetje en hij leek praktisch helemaal rond.

En nogmaals, ik heb alle tijd, dus ik pakte ook Google erbij op mijn telefoon. “Bruine ronde paddenstoel”. Door honderden plaatjes van paddenstoellen scrollen. Geen haast, weetje. En voor ik het wist viel ik down the rabit hole, in de wereld van paddenstoelen, sporen, giftige soorten en eetbare soorten. Maar ik wist nog steeds niet welke ik hier in de tuin had.

Ik besloot dat ik erin zou prikken met een takje, om te zien of ie hard of zacht was. Best eng, want ik had ook net op youtube een filmpje gekeken over een tropische paddenstoel die als je hem aanraakt POEF!! giftig stof de lucht in schiet. En nu de tuin mijn hele wereld is, kan daar natuurlijk gewoon een tropische-giftige-poef-paddenstoel staan, joh!

Dus ik ga een takje pakken, heel voorzichtig op mijn hurken, heeeeel langzaam met mijn stokje naar die paddenstoel…
….en toen raakte ik mijn balans kwijt en gaf ik de paddenstoel een tik en rolde hij een meter weg. En ik “noooooo” want naar mijn idee had ik net de laatste tropische-giftige-poef-paddenstoel om zeep geholpen. Twas allemaal erg dramatisch in mijn achtertuintje.

Maar na beter kijken, en toch nog een keer prikken met het stokje en toch de paddestoel nog een keer omrollen, kom ik tot de ontdekking dat deze keiharde paddenstoel geen boven- of onderkant heeft. En nu durf ik het wel op te pakke en ik moet zo hard lachen om mezelf. Ik pak de rare paddenstoel op en gooi hem op de tegels. BOINK! Hij schiet weg en stuitert een aantal keer in verschillende richtingen.

Mijn tropische-giftige-poef- paddenstoel is een rubberen-stuiter-nep-ei dat sara ooit voor dr verjaardag kreeg!

***

Nog steeds quarantaine. Echt geen bal gedaan vandaag. Ik heb me voornamelijk afgevraagd hoe ik straks als ex-corona-lijder weer “wordt opgenomen in de maatschappij”.
Ik moet 24 uur geen klachten hebben, na een quarantaine van 7 dagen en dan mag ik weer naar buiten. En dan? Zoveel vragen…
Stap ik dan gewoon de deur weer uit? Moet ik weer wennen aan fel licht? Heb ik zonnebrandcrème nodig? Het voelt alsof mensen kunnen zien aan mij dat ik corona heb gehad. Wantrouwt iedereen elk kuchje en elk snufje van mij? Mag ik nou geen loopneus meer krijgen als ik van buiten 3C° naar binnen 20C° loop? Kan ik voorlopig pittig eten maar het beste vermijden? Ik mag namelijk geen énkele klacht meer hebben straks. En het meeste vraag ik mijzelf af: was ik voordat ik corona kreeg eigenlijk ooit klachtenvrij?
Maarja…teveel tijd om na te denken.

En alsof 2020 niet stom genoeg is, gaat op de valreep ook sinterklaas nog dood. Het laatste stukje klein klein meisje in mij moet nu ook volwassen worden.
Want deze man was de échte sinterklaas en hij ging toen met pensioen en een hulp sinterklaas heeft hem vervangen. Maar die sinterklaas is eigenlijk van flodder, dus bleef de échte sinterklaas in mijn hoofd bestaan. Want die zat lekker in spanje tussen alle andere pensioenado’s, maar dat maakt hem niet minder echt!
Ik betrapte mezelf er zelfs op dat ik dacht: “als de échte sinterklaas nu dood is, dan kunnen we misschien wel nokken met het hele feest.”
Hoe heerlijk zou dat zijn? Gewoon een leuke andere dag ervan maken, die je op je eigen manier kan vieren zonder dat rommelpiet ’s nachts je huis overhoop haalt, omdat het sinterklaarjournaal dat verzonnen heeft.
Ik zal nog even nadenken over een nieuw format, heb toch nog even niets beters te doen.

Benieuwd wat de laatste dagen van 2020 nog meer in petto hebben voor ons.
Misschien blijkt na hertelling wel dat Trump toch gewonnen heeft. Of besluit Rutte dat een supermarkt geen essentiële winkel is, maar de ikea wel omdat ze vanaf nu plěe-papjür verkopen. Allemaal losse velletjes die je zelf nog aan elkaar moet maken en oprollen.
En het zou zomaar zo kunnen zijn dat we er achter komen dat sinterklaas nooit écht bestaan heeft, dat hij eigenlijk een acteur was die Bram van der vlugt heette. En dat we die nu moeten missen
Maar dat vind ik moeilijk te geloven…

***

Het is voorbij, Ik mag naar buiten!
De quarantaine is afgesloten met 24 klachtenvrije uren. Ik was er klaar voor. Fris, fruitig en opgemaakt. Toch was het heel onbevredigend, want niemand kwam mij een certificaat geven van een succelvol afgerond traject. Er ging geen confetti kanon af toen ik naar buiten liep, geen cameraploeg met Winston Gerschtanowitz die stiekem achter de heg verstopt stond om mij te verrassen.

In plaats daarvan heb ik de afgelopen 24 uur vragen beantwoord aan iedereen over waarom ik weer baar buiten mag. Moet je niet standaard 10 dagen binnen blijven? Nu moeten arno en de kids zeker nog langer binnen blijven? Was het niet 14 dagen quarantaine en 48 uur klachtenvrij? 12 dagen quarantaine, 12 uur klachtenvrij en 12 pushups? Moest je niet eerst die proef doen met die steen aan je voeten, dat als je blijft drijven dan ben je positief en als je verdrinkt dan…niet? En uiteindelijk, moet je geen negatieve coronatest kunnen tonen?

Allemaal nee. Ik mag naar buiten en hoef niet te testen. Maar wanneer iemand vraagt waarom dat niet moet is het antwoord nog verwarrender: ik hoef niet te testen omdat de test waarschijnlijk een positieve uitslag geeft. Dat is ook niet helemaal wat je wilt horen.
Misschien wordt mij wel opgelegd dat ik voor de zekerheid de eerste 3 dagen als ik buiten loop een dame in een blauw gewaad achter me aan krijg die “shame!!! Shame!!!” roept en een bel luidt.

Maar vandaag ga ik sowieso lekker met de Kids uitwaaien op het strand, of lopen in het bos, of schotse hooglanders spotten. (Dus ik hoop dat die dame in haar blauwe gewaad dr laarzen aan heeft.) Want de meiden vragen zich de hele tijd al af waarom ik niét naar buiten mag, die vraag was trouwens net zo moeilijk te beantwoorden.

Dus buitenwereld, ready or not, here i come!

Erop of eronder

“Mamaaa… Ik heb Pijijijijijn….” Huilt Hanna en ze loopt met uitgestrekte armen naar mij toe. Ik huil ook, maar ik snij uien voor het avondeten.

Het is een typische vrijdagmiddag. En met een typische vrijdagmiddag bedoel ik: iedereen is moe, iedereen is klaar met de week en niets gaat zoals het zou moeten. Huilend van de uien neem ik huilende Hanna op schoot en laat haar d’r verhaal doen. Ik kijk er niet van op, want op vrijdag middag gebeuren er nou eenmaal rare dingen.

Een gemiddelde typische vrijdagmiddag is hectisch. Maar nu is het ook nog de eerste vrijdagmiddag na de herfstvakantie. Die eerste normale week is altijd een rot week, want ouders zijn na een week vakantie met kinderen eigenlijk gewoon toe aan een week vakantie zonder kinderen. Ondanks dat het heel fijn was en we echt gezellige dingen hebben gedaan. Maar je bent gewoon moe, je hebt 24/7 je kinderen om je heen gehad en ze vermaakt. En nu is het tijd voor jezelf. Maar dat kan niet, want de vakantie is zit erop.  
Daarnaast moeten in deze eerste schoolweek kinderen weer wennen aan het feit dat alles op tijd moet gebeuren. Structuur en zo… Sara vindt het vooral hartverscheurend dat ze elke ochtend normale kleding aan moet doen en niet in haar pyjama kan blijven rondhangen. En Hanna moet weer wennen aan de dagopvang, maar vooral aan dat Sara niet de hele dag bij haar is. Want die twee hebben altijd de grootste lol, totdat ze moe worden en één van de twee moet huilen.

Maar even terugkomend op het verhaal van huilende Hanna. Ze heeft pijn en vertelt mij wat er is gebeurd. Ik denk niet dat iemand anders haar zou hebben verstaan tussen al het sniffen en snikken door, maar met een aantal steekwoorden en dramatische gebaren lukt het Hanna om een plaatje te vormen.
Het verhaal is dat zij en Sara op de grond lagen voor de tv en dat het Sara een goed idee leek om een kussen van de bank bovenop Hanna haar gezicht te leggen. Dat vond Hanna echter een minder goed idee, dus ze had haar hoofd erop gelegd. Maar Sara wilde ook met haar hoofd op het kussen (grote kleine mensen problemen), dus trok ze het onder Hanna vandaan. Die op haar beurt een schedelbasisfractuur opliep omdat haar kop tegen de grond knalde.
Ik weet eigenlijk niet zo goed waar ik moet beginnen met dit verhaal, dus zeg ik iets in de trend van: “Sara, doe eens voorzichtig met je zusje, we hebben geen nieuwe als deze kapot gaat.” Sara kijkt mij met een wazige blik en rode vermoeidheidswangen aan en hanna wrijft over haar achterhoofd. Dit heeft geen nut, het lijkt wel of er niets meer tot ze doordringt. Ze zijn te moe en tegelijkertijd de slaap al voorbij, er valt geen land mee te bezeilen. Ze lijken wel dronken…

Ja, dat dus. Elke vrijdag middag hebben wij twee kleine dronken mensen in huis rond stampen… Twee kleine dronken mensen die zonder dat ze dit met opzet doen elke vijf minuten een ondoordachte poging doen om elkaar te vermoorden of iets slopen. Sara duwt een kussen op Hanna d’r hoofd, er valt een plant om, Hanna gaat op Sara d’r hoofd zitten, er gaat een glas kapot, Sara probeert Hanna op te tillen en laat haar met een doodsmak vallen. Soms kunnen ze er wel om lachen, als je dronken bent ben je immers erg flexibel. Andere keren moeten ze er om huilen met lange vermoeide uithalen en ongecontroleerde naschokkende ademhaling. Toch heeft het geen zin om op vrijdagmiddag uit te leggen dat het ook niet zo handig is om als spelletje zo hard mogelijk tegen elkaar aan te rennen. Kleine dronken mensen luisteren namelijk niet.

Dus eten we op tijd. Sara hangt als een echte dronkenlap met haar kin op de eettafel, ze krijgt de slappe lach omdat ze haar hele hoofd nu moet bewegen om te kauwen in plaats van alleen haar onderkaak. Hanna blaast belletjes in haar drinken en doopt ook haar sperzieboontjes erin. Arno en ik twijfelen of wij ook de slappe lach krijgen of stiekem een beetje willen huilen in de trapkast.

Na het eten beland Dronken Hanna, wanneer we even niet opletten, met kleding en al in bad. En Dronken Sara moeten we later op de avond nog een keer terug op bed leggen. Maar dan lijkt het er toch op dat de twee meiden hun roes eindelijk gaan uitslapen. De eerste week zit erop, vanaf hier kan het alleen maar beter worden. Met een wijntje plof ik naast arno op de bank en roep: “weekend!” en ik proost enthousiast tegen zijn glas dat op de tafel staat. Arno kijkt me strak aan en zegt: “we moeten morgen om 9:00 in Delft zijn voor een rugbywedstrijd”.

Ik zet mijn wijntje weer neer, zak onderuit op de bank en leg een kussen op mijn gezicht, arno legt zijn hoofd erop. Met mijn gezicht in het kussen kies ik dan toch maar voor de slappe lach.

Wat in het vat zit…

“En? Hoe smaakt het?” vraagt Arno. Met tranen in mijn ogen en een brandend gevoel in mijn keel antwoord ik: “alles wat ik ervan verwacht had… en meer…”

Dit keer geen verhaal over ouderavonden, sporttrainingen of over mijn kinderen. Wel is het een belangrijk onderdeel in mijn leven, iets waarvan ik ben gaan houden en niet meer zonder kan. Ook al denk ik wel dat het direct gerelateerd is aan het leven met en opvoeden van kinderen: Wijn!

Er zijn zoveel momenten dat ik denk “Zo, nu heb ik wel een wijntje verdiend.” Ik weet zelf ook dat het geen goed coping mechanisme is, maar soms ben je gewoon trots dat iedereen nog leeft aan het einde van de dag. Want laten we wel wezen, kinderen hebben vanaf dat ze kunnen lopen ongeveer tien bijna-dood ervaringen per dag zonder dat ze dit zelf doorhebben. Je vangt ze nét op tijd als ze achteruit van de bank af vallen, ze rennen als malloten door je huis en missen op een háár na de punt van de eettafel, lopen pontificaal tegen de glazen schuifpui aan en stappen zonder te kijken de straat op.  En terwijl zij zorgeloos doorgaan met hun leventje, zetten wij de volgende reddingsactie al in, maar moeten we het vorige trauma nog verwerken.

Dus aan het einde van de dag geef ik mezelf een schouderklopje omdat iedereen nog leeft en schenk ik een wijntje in. En nee, ik ben geen wijnkenner, maar hoe drukker de dag was hoe lekkerder mijn wijntje smaakt. De frisse smaak van rust, de fruitige tinteling van stilte en een exotische afdronk van snacks die ik niet hoef te delen.

Nu las ik pas een artikel waarin moeders als ik ontaarde moeders werden genoemd. De ene helft van de vrouwen gebruikt deze term als soort van scheldwoord, een negatieve benaming voor moeders die ’s avonds andere dingen drinken dan diksap uit een tuitbekertje. En de andere helft lijkt de term ontaarde moeders met trots te dragen. Want ook mét kinderen ben ik nog lekker hip. Zelf denk ik dat deze hele term een beetje passé is en heb ik sinds kort een nieuwe term in het leven geroepen: “De zelfvoorzienende moeder”

Want tegenwoordig maak ik zelf wijn! Jazeker! Al vier jaar woon ik in een huis met een tuin waarin druiven groeien en al twee jaar terug heb ik een starters set gekocht om vijf liter wijn te kunnen maken. Maar dit jaar is het eindelijk echt zover, deze moeder wordt volledig zelfvoorzienend. Ik maak wijn, ik drink wijn, het is een perfecte cyclus. Maar waar ik niet bij stil had gestaan was hoe moeilijk het is en hoeveel geduld je ervoor moet hebben…

Ik had blijkbaar een erg romantisch beeld van het maken van wijn. Je stampt de druiven in een grote ton met je blote voeten fijn, dan voeg je er een berg liefde en een klassieke Franse chanson aan toe, goed roeren: Et voila!
Maar niets is minder waar. In de starters set zaten onderdelen en poedertjes waarvan ik nog nooit had gehoord. In het boekje stap voor stap wijn maken stonden bij de eerste stap al zulke moeilijke termen dat ik niet eens zeker wist of dit wel over wijn maken ging. Er moesten pecto-enzymen in en rohpect pro, ik had nog nooit van een hydrometer gehoord en nu moest ik hem kunnen aflezen. Maar het moeilijkste moest nog komen, want bij stap 3 stond: “laat je wijn nu een maand rusten.

En als je mij een beetje kent, dan weet je dat geduld niet mijn sterkste kant is… Ik ben van de directe behoefte bevrediging. Handeling, resultaat. Actie, reactie. Ik ben dat kind dat met die test gelijk het snoepje opeet, terwijl ik weet dat als ik netjes had gewacht ik twee snoepjes zou krijgen. En dan vragen ze mij om mijn wijn op zolder te zetten, voor een hele maand. Daarna moet ik het hevelen naar een andere fles. En dan wéér een maand laten staan!!

Eergister werd ik gelijk gestraft voor mijn onvermogen tot uitstellende vermogen. Omdat ik geen geduld had om op mijn rode wijn te wachten, ben ik vorige week begonnen met een appelwijn en die was eergister klaar om voor de eerste keer geheveld te worden voordat hij een maand op zolder moet. Maar toen heb ik me laten verleiden om een slokje te nemen. Eén slokje maar, dat kan toch geen kwaad?
Nou… wel dus. Jonge wijn, zoals ze dat noemen, is dus echt super zuur. Maar dat was niet het ergste. Het schijnt dus zo te zijn dat, wanneer de gist nog “werkt”, je keel ervan dicht gaat zitten. Niks frisse tinteling, niks ronde afdronk, niks fruitige smaak. Het leek wel alsof ik een slok pure straaljagerbrandstof had genomen. De tranen schoten in mijn ogen, mijn keel stond in de fik en de slok viel als een brandende bal door mijn slokdarm naar beneden in mijn maag, waar die vervolgens 3 uur lang gloeiend bleef liggen.

Dus nu staat de wijn voor straf op zolder en dat voelt een stuk beter aan. Met kinderen doe je dat natuurlijk niet, maar deze wijn zal ik eens goed opvoeden. En na deze maand heb ik nóg drie maanden te gaan, dus in 2021 zal ik eindelijk een zelfgemaakt glaasje kunnen drinken. Ik hoop dat dan de herinnering aan deze slok vervaagd is en dat ik dan de moed heb om toch nog een keer te proeven. In de tussentijd ben ik nog een trouwe afnemer van de middelmatige wijntjes met draaidop.

Ik kijk nu al uit naar een avond ergens in februari waarop ik mijn eigen vieze zelfgemaakte wijn drink (met een ingehouden vies gezicht en betraande ogen). En dat arno dan vraagt of het al dat wachten waard was en dat ik dan antwoord: “Leeft iedereen nog en slapen de kinderen? Ja? Dan is mijn wijntje lekker.”

Hoogte- en dieptepunten

“welkom! Ga lekker zitten.” Zegt de juf hartelijk. Arno en ik stappen het klaslokaal binnen. We zijn hier nog nooit geweest en kijken om ons heen. De juf gebaart naar twee krukken. Of eigenlijk krukjes. Ze komen niet hoger dan mijn knie en voor arno dus ergens halverwege zijn scheenbeen.
We laten ons het hele eind naar beneden zakken en proberen een houding te vinden waarbij onze knieën niet naast onze oren zitten. De juf zelf gaat op haar bureaustoel zitten, die staat op de hoogste stand. Arno en ik kijken ongemakkelijk tegen haar op.

Dit is het startgesprek van het jaar. Sara zit in groep drie en heeft nu een aantal weken school gehad. Ze is bekomen van de schrik dat ze niet langer alleen mag knutselen of met de blokken mag bouwen. Ook is ze eraan gewent dat ze niet langer de oudste in de klas is, maar ze is wel trots dat ze op een iets hoger stoeltje mag zitten dan bij de kleuters. De desbetreffende stoeltjes zijn misschien maar vijf centimeter hoger dan het krukje waarop Arno en ik zitten, maar ze zien er toch erg comfortabel uit vergeleken de hurkzit waarin we nu opgevouwen zitten.

“Dus” zegt de juf “Hoe gaat het met Sara als ze thuis komt uit school?” Ik denk terug aan deze eerste paar weken. Het was allemaal maar vermoeiend voor Sara, al die nieuwe indrukken en die structuur. En zoals wellicht bekend is zorgt vermoeidheid er niet voor dat je kind rustiger wordt en alleen maar wil slapen. Eigenlijk meer het tegenovergestelde.

Sara moet hardop haar dag verwerken en dus vult ze elke stilte met oeverloos geklets waar geen touw aan vast te knopen is. Ook lijkt haar honger niet te stillen, bergen met aardappels schuift ze naar binnen alsof ze denkt dat we haar de komende weken geen eten zullen geven. Verder moeten alle letters die ze op school geleerd heeft uitgebeeld worden in een soort van vrije dansvorm waarbij de nodige drinkglazen van tafel worden geslagen. “dit is de aA@aaaAaaa@aaAA!!” Met haar armen en benen maakt Sara wilde bewegingen en ik vraag me af hoe ze de letter A op school leren schrijven. Dit is een A4 vullende letter.
Deze gedachte vatten Arno en ik samen door te zeggen: “ja goed, ze is er  goed moe van, maar ze vindt het wel heel leuk.”

Het is de juf opgevallen dat Sara soms niet al haar werkjes af heeft. Het lijkt erop dat ze eerst alle leuke dingen doet en daarna tijd tekort heeft voor de werkjes die ze minder leuk vindt en dus heeft uitgesteld tot het laatste moment. “Echt een kind van d’r moeder,” denk ik nog net niet hardop. Ik weet ook dat Sara dit doet, maar weet eigenlijk niet zo goed wat je van een kind van zes mag verwachten. Lachend vertel ik tegen de juf dat ik dit ook al had gemerkt, want thuis had ze een keer van de vijf rijtjes sommen bij de laatste twee rijen allemaal hetzelfde antwoord ingevuld. Ik gaf toen in eerste instantie nog een compliment omdat dat ze zo snel klaar was, tot ik naar de sommen keek. De juf lacht kort even mee, kijkt mij vervolgens streng aan en zegt: “En dán moet je doorpakken…” Ongemakkelijk verschuif ik een beetje op mijn kabouterkrukje en zeg: “ja… logisch…”

Natuurlijk heb ik al eens geprobeerd hierover een gesprekje over te voeren met Sara. Dat zag er dan ongeveer zo uit:
Sara: De juf is best streng, ik moest mijn leesopdrachtjes nog afmaken van haar.
Ik: Hoe komt het dat je die niet af had dan?
Sara: leesopdrachtjes zijn stom
Ik: Waarom doe je die dan niet als eerste?
Sara: Omdat ze stom zijn
Ik: Maar dan ben je er maar van af!
Sara: Mooie oorbellen heb jij.
ik: Dankje! Vandaag voor het eerst in! Leuk he!
Sara: ja!
ik: … maar we dwalen af…
Sara: …
Ik: Dus maak morgen de stomme werkjes maar als eerste, ok?
Sara: Wat eten we vanavond?
Ik: …

Verder krijgen we nog wat uitleg van de juf over de lesstof voor groep drie. Ik hoor termen als flitswoorden en redactiesommen voorbij komen. “Maar daar zal ik niet veel verder over uitweiden, want dit stond natuurlijk allemaal in de nieuwsbrief die ik laatst heb rondgestuurd!” zegt ze enthousiast. Waarop arno aanhaakt dat één van de linkjes naar een voorbeeldfilmpje niet opende. Hierna volgt er een onderonsje tussen Arno en de juf, waaruit ik opmaak dat meer ouders dit al hebben aangegeven en dat het probleem, als het goed is, nu verholpen moet zijn. Ik knik ja en “uhuh” terwijl ik intern paniekerig probeer te bedenken welke nieuwsbrief ik gemist heb.
Ik blader door de tweehonderd mentale tabbladen die ik open heb staan.
Nieuwe conona-maatregels, gymkleding niet vergeten mee te geven, verschillende werkafspraken, zet de GFT bak buiten, wat eten we vanavond, wat voor dienst heb ik morgen, wie haalt Hanna op, rugbytraining, wanneer is salaris-dag? Maar waar is die nieuwsbrief? WAAR is die nieuwsbrief?!
Ik geef het op en voeg weer in het gesprek door te zeggen: “Ja, zal je altijd zien he, als je met veel mensen tegelijk dezelfde link wil bezoeken…” Gelukkig was dit het goede antwoord, want de juf vermoedt ook dat het daaraan gelegen moet hebben. En excuus voor het ongemak. Geen probleem, hoor…

Als laatste vertelt ze nog dat ze ziet dat Sara het allemaal wel goed lijkt op de pikken, geen uitzonderlijke prestaties, maar ze is lekker bezig. Ze laat de kinderen ook niet alleen maar de hele dag aan hun tafeltje werken, ze zijn altijd vrij om de houding aan te nemen die ze willen. Ze mogen op de banken zitten, liggend op de grond lezen of op een skippybal wiebelen. Zolang ze maar een manier vinden om de werkjes af te maken. Ik verlang ondertussen ook naar een andere houding, mijn benen sterven af en ik zie Arno ook draaien op het krukje om zijn lange benen te kunnen strekken.

“Heel erg bedankt voor jullie komst, het was leuk om jullie te ontmoeten!” De juf staat soepel op van haar bureaustoel. Nu torent ze helemaal hoog boven ons uit. Met een lichte kreun staan arno en ik op vanuit de diepte en bedanken haar ook. Voorzichtig probeer ik zo normaal mogelijk naar de deur van het klaslokaal te lopen, ondanks dat mijn linker been slaapt. Sara maakt op de gang een bouwwerk met de blokken die ze zo erg mist nu ze geen kleuter meer is.

Als we weer buiten zijn en het gevoel in onze ledematen weer is teruggekeerd, kijk ik op mijn telefoon hoe laat het is. We zijn in totaal maar een kwartiertje binnen geweest. Ik geef Sara een dikke knuffel en zucht in haar nek “Ik ben zo trots dat je op een grote stoel mag zitten dit jaar!”

Back to school

“ja tuurlijk mag Sofie na school bij ons spelen!” hoor ik mezelf zeggen en gelijk kan ik mezelf wel voor mijn kop slaan. Dit was niet wat ik mezelf had voorgenomen. Dit keer zou ik zeggen: “vandaag komt niet zo goed uit, maar Sara mag wel bij jullie spelen, dan kom ik haar om half vijf weer ophalen.” Maar dat zei ik niet, en nu speelt Sofie voor de achtste keer op een rij bij ons.

Hoe pak je dit soort dingen aan? Ik weet het niet. Net als duizenden andere vraagstukken waarop ik het antwoord niet weet. Tegelijkertijd lijkt iedereen er van uit te gaan dat je dit wel weet. Je bent tenslotte volwassen!

Nou! Dat weet ik niet zo zeker. Ik weet het nog zo goed, mijn eerste gedachte toen ik zwanger bleek te zijn van Sara was: “Ik word een tienermoeder… straks staat de filmploeg van sixteen and pregnant op de stoep.” Ik was toen vierentwintig, mocht al zes jaar stemmen, had een vaste baan en een koophuis. Maar zo volwassen als je je voelt wanneer je 16 bent en dingen roept als “het is mijn eigen leven! Ik bepaal lekker zelf hoe laat ik thuis kom!” zo jong voel je je wanneer het echt aan jezelf is om volwassen keuzes te maken.

En waar leer je dat, die volwassen keuzes en kennis? Ik weet het niet. Wel weet ik dat ik, met terugwerkende kracht,  graag mijn wiskunde lessen had laten schieten als er een les was die mij had geleerd hoe ik respectvol speelafspraakjes had kunnen afwijzen. Waar een leraar voor de klas zou staan en ons dingen liet nazeggen als: “lijkt me leuk! Maar niet vandaag, ik laat je weten wanneer het wel uitkomt.” En dat wij dit allemaal verveeld na zouden zeggen, maar later dankbaar terug zouden blikken op deze wijsheid.

Ook had ik graag gezien dat mijn leraren mij op mijn vervolg opleiding al hadden aangesproken met u en mevrouw (en niet alleen als ze boos waren op me). Want de eerste keer dat ik in de supermarkt liep en ik aangesproken werd met “mevrouw” wist ik niet dat de kassière het tegen mij had. Toen ik er eenmaal achter kwam dat ze wel degelijk tegen mij sprak was ik zo afgeleid dat ik geen idee had wat er gezegd werd. Ik heb toen geschrokken “ja..uh…ok?” gezegd en sindsdien spaar ik blijkbaar koopzegels die ik altijd kwijtraak.

En als ik toch bezig ben, dan wil ik graag voor het lescurriculum van de middelbare school een aantal vakken aandragen.

Ten eerste het vak: vul het formulier in om het formulier aan te vragen dat je toestemming geeft om de volgende formulieren in te vullen.
Moet ik nog meer zeggen hierover?! Als ik had geweten hoeveel formulieren je voor ALLES moet invullen, dan had ik…nooit volwassen geworden. Dit vak leert je alles over bureaucratie. Het leert je  ook om mentaal stabiel te blijven wanneer je voor de dertigste keer een elektronisch bandje met een keuzemenu aan de lijn krijgt of wanneer je na het volgen van een alle stappen op de website je weer terug wordt gestuurd naar het begin.

Het tweede vak dat mijn handig had geleken is: weekplanning voor het hele gezin.
Een vak dat aanstormende volwassenen leert  hoe je in hemelsnaam op drie plekken tegelijkertijd kan zijn op een gemiddelde doordeweekse dag. Een les volledig gericht op hoe je vanuit je werk binnen een half uur avondeten heb gemaakt, aan tafel gegeten hebt, je kind in sportkleding  hebt gehesen, je man die net thuis komt een high five geeft en met volle moed de spits in rijdt op weg naar de sportclub. Dat je ook filmpjes te zien krijgt met ervaringsverhalen van moeders die per ongeluk stukken van de beleidsvergadering meenemen naar het voorleesuurtje op school. En vaders die hun kinderen in sportkleding naar school brengen, maar dat alles weer goed komt wanneer ze leren plannen.

Het laatste vak is: hoe ga ik om met de eerste keer dat een (medisch) deskundige jonger is dan ik ben?
Hier leer je dat je er niet meer van uit kunt gaan dat degene die het beter weet ouder is dan jij. De verloskundige die mij begeleidde tijdens mijn zwangerschap van Hanna was 22 en had zelf geen kinderen. Mijn huisarts is 3 jaar jonger dan ik. En dat is écht confronterend! Want als er zich een moeilijke situatie voordoet dan kijk ik toch nog steeds eerst om me heen of er een volwassene is om het op te lossen. Vervolgens bedenk ik me dat ik zelf volwassen ben. Het is dus wel degelijk geruststellend als iemand ouder is dan jijzelf. Maar nu ben ik ouder dan mijn huisarts en woont mijn verloskundige nog thuis. En dat is even slikken.

Maarja, vandaag speelt Sofie dus nog een keer bij ons. Niemand heeft deze vakken gehad, het is ieder voor zich. De meiden vragen op weg naar huis of ze een ijsje mogen. Ik wil heel volwassen antwoorden dat we eerst een boterham moeten eten, maar vandaag eten we lekker eerst een ijsje. Volgende keer beter, ik kan toch geen onvoldoende krijgen.

Rugby en radslagen

“Hmmfff shshe mggfffttt” roept Sara vanuit de verte en ik kijk haar vragend aan. Ze herhaalt het nogmaals, waarop ik gebaar dat ze haar bitje even uit moet doen. “zag je dat!?!” roept ze extra hard en verstaanbaar over het hele veld heen. Ik knik van ‘ja’ steek mijn duim op. Nee, natuurlijk zag ik het niet.

Sara zit sinds een paar maanden op rugby. Een sport die tot verkort in mijn hoofd alleen te maken had met mannen die op elkaar inbeuken. Grote gespierde mannen….zwetende mannen…. Mannen in strakke shirts… stoere zwetende mannen…. Zucht…
Maarja, wat ik dus eigenlijk bedoel, ik had er niet over nagedacht dat Sara deze sport kon gaan doen. Totdat een vriend van arno zei dat hij trainer is bij de rugby-guppen (de jongste kids). Zodoende en aldus, lang verhaal kort: Sara zit nu op rugby en het is geweldig leuk.

Ten eerste, de bal heeft een rare vorm. Sara kan er niet over uit. De bal is raar. En daarom moet er tijdens de eerste paar trainingen meerdere malen een poging gedaan worden om de bal rond te krijgen. Je ziet haar denken: “wat nou als ik erop ga staan… of als ik de punten met mijn handen naar elkaar druk.” Een half jaar later heeft ze het laten rusten, deze rare bal is niet meer te redden.

Ten tweede, Sara had nog nooit van rugby gehoord. Aan hobby’s is er thuis geen gebrek. Ik schilder, maak muziek, verzorg mijn planten. Arno kijkt voetbal en de tour de France en zit tussen mijn planten. Maar rugby hebben we nog nooit gekeken, dus ook niet gespeeld, laat staan dat we Sara ooit verteld hebben hoe het spelletje werkt. En dat is te zien.
Met veel geduld en passie proberen de trainers uit te leggen waarom je eerst met de bal je voet moet aantikken, hoe het ene team in een pizzapunt moet gaan staan en het andere team een Chinese muur moet vormen. Sara heeft nu het idee van de Chinese muur wel door, je vormt met je team een ondoordringbare barrière door in één lijn naast elkaar te gaan staan over de breedte van het veld. Top!
Daar staat ze dan, armen en benen wijd, niemand komt hier langs! Wanneer de trainer fluit rent de aanvallende partij moeiteloos langs Sara, die stokstijf blijft staan op haar plek van de Chinese muur… De volgende vijf minuten van de training wordt er uitgelegd dat je wel mag bewegen en verplaatsen om de tegenpartij tegen te houden.

Ten derde, en dit is niet cynisch bedoeld, de rugby-ouders zijn super relaxed. Gelijk al bij de eerste training krijgen we van de teamleider te horen dat het leuk is dat we er zijn maar dat dit een team sport is. Het is niet gewenst om alleen je eigen kind aan te moedigen. Als je juicht, juich je voor het team. Ook roep je geen coachende of rugby gerelateerde zaken zoals “tackel hem dan!!” of “linksom rennen!!”. Neen!! Dat is aan de coaches. Eigenlijk hoef je ook in de pauze het veld niet op te komen en kunnen de coaches wel beoordelen of je kind gewond is na een val. Dus wat kan je als ouder dan wél doen? Dat vraag je je nu wellicht af?  
Niets. He-le-maal niets…. En het is heerlijk!! We kletsen, we kijken af en toe naar de kids, drinken een bakkie, pielen op onze telefoon, lachen (zachtjes)  onze kids uit, vragen ons af wanneer het op rugby gaat lijken en zwaaien af en toe terug wanneer een kind vanuit de verte oogcontact zoekt. Het is heerlijk!

Verder heeft Sara, net als ze meeste anderen, de concentratie nog niet om een hele training bewust mee te maken. Wanneer we ongeveer veertig minuten bezig zijn zie ik haar steeds meer afdwalen. Ze kan de discipline niet meer opbrengen om naar de trainers te luisteren en langzaam komen haar kinderlijke impulsen weer naar boven. En één van de impulsen waar Sara altijd aan toe moet geven is het maken van een radslag. Ze kan er niets aan doen, het moet eruit.

Vanaf de zijlijn zie ik het al aankomen, midden in een oefenwedstrijdje kijkt Sara om zich heen. Nee, ze kijkt niet waar de bal is. Ze kijkt of ze genoeg ruimte heeft om zich heen. Dan loopt ze zo’n 5 stappen met haar armen in de lucht en haar blik op de grond gericht. En dan… Haar team rent ondertussen naar de andere kant van het veld. Sara maakt een radslag met kromme benen en landt net uit evenwicht. Daardoor moet ze er een soort van pirouette achteraan maken om overeind te blijven, maar dan staat ze stil. Trots kijkt ze om zich heen, haar team is twintig meter verder aan het stoeien om de rare bal. Sara huppelt er naartoe en mengt zich de kluwen armen en benen.

De trainer fluit, het is pauze en de teams rennen richting de zijlijn. Een stuk of zes kinderen gooien even vrij over met de rare bal, Sara doet mee. Ze gooit naar haar buurman en begint weer aan het maken van een radslag. De bal is nu het hele rijtje afgegaan en is nu weer bijna terug bij Sara. Haar buurman gooit de bal naar Sara die gelijktijdig haar benen in de lucht gooit…
Trainers, kinderen en ouders kijken hoe de bal haar voet raakt en vervolgens door de lucht vliegt. Even is het stil en iedereen volgt het rare ding met zijn ogen. Op een paar meter na vliegt de bal langs de palen en teleurgesteld zegt iemand “oeoeoeh een beetje meer naar het midden had mooi geweest”. Zelfs de trainers besluiten de man niet aan te spreken op zijn coachende en rugby gerelateerde uitspraak.

“hmmfff shshe mggfffttt” roept Sara. En ik roep terug: “ja! Ik zag het!!”

De verdwijntruc

“Mevrouw u mag hier niet staan, de gangen moeten vrij blijven.” Met engelen geduld spreekt de drieëntwintigjarige badmeester mij aan en zegt dat ik in de kleedkamer kan wachten, of in het restaurant waar een consumptie verplicht is. Vorige week zei hij hetzelfde en de week daarvoor ook. Maar ik probeer toch even te zien of Sara blijft drijven als ze met kleding aan moet zwemmen en vanaf de gang is de enige plek waar ik haar kan zien ploeteren in het water.  Vervolgens is ze de andere helft van de zwemles bezig met de natte kleding, die vacuüm tegen haar lichaam geplakt zit,  uit te trekken.

Zwemles is voor ouders niet het meest enerverende uitje van de week, maar als je niet mag kijken naar je kind dan blijft er helemaal weinig over. Als ik Hanna mee neem dan hobbel ik een beetje achter haar aan terwijl ze door het hele pand loopt, maar nu mag dat niet meer. Dus Hanna en ik zijn gebonden aan de kleedkamer. Drie kwartier lang.

Nu we elke week op de harde latjes van de kleedkamerbankjes zitten heb ik wel even te tijd om met andere ouders te praten. We zijn nu een vast groepje van vier. Drie moeders en één vader. Ons wekelijks thee-loze-kransje  gaat voornamelijk over dat we ons echt niet kunnen herinneren dat we vroeger ook al borstcrawl moesten doen voor onze A diploma. Dat we niet snappen waarom ze hun vingers bovenwater moeten houden met watertrappelen. Als ik ooit in het midden van de oceaan drijf als schipbreukeling zal ik vast niet ineens denken: “oh shit, ik moet wel mijn vingers bovenwater houden”.
Verder bespreken de moeders Netflix series en zit vader zwijgend naar ons te luisteren of te luid te telefoneren voor werk. Vervolgens vragen wij of zijn deal nou nog niet rond is, terwijl we alle drie niet weten wat voor werk hij doet. Hij antwoord dat het écht eraan zit te komen, volgende week gaat het gebeuren. Wij roepen enthousiast dat we ook dat idee kregen bij het horen van dit gesprek. Moeder één, moeder twee en ik knikken heftig met ons hoofd om onze woorden kracht bij te zetten. Ondertussen speelt Hanna op de grond met paars glinsterslijm, dat heeft ze van Sara gekregen die het zelf gemaakt heeft op een verjaardagsfeestje.

Moeder één kijkt naar Hanna en spreek haar verbazing uit over dat kinderen die slijm-rommel zo leuk vinden. Ondertussen kneedt Hanna vier lange vieze haren mee in de bonk paars slijm. Ik snap wel dat kinderen het leuk vinden, ik vind het zelf ook wel lekker voelen als het net nieuw is. Maar als ik nu naar het ranzige bonkje slijm van Hanna kijk, krijg ik vooral kokhals neigingen. Haar, zand, broodkruimels, stof en mieren. Alles wordt opgenomen in de paarse massa, maar Hanna stoort zich er niet aan.

“Ik denk dat het vanavond kwijt raakt als ze op bed ligt” zeg ik. En beide moeders knikken begrijpend. “gisteravond is de zak magic sand van mijn dochter kwijtgeraakt” biecht moeder één schouderophalend op. “oja, dat raken wij ook altijd kwijt” beaamt moeder twee. Ondertussen speelt Hanna verder met de afgrijselijke paarse harige bonk.

Een andere moeder die met haar dochter is binnen gekomen in de kleedkamer luistert even mee naar de stroom van kwijtgeraakt speelgoed die we opnoemen. De speelgoed xylofoon, play dough, blokfuit, strijkkraaltjes. De rij wordt steeds langer en wij worden steeds luidruchtiger en roepen gekscherend dingen als “wat een ontaarde moeder ben jij dat je altijd alles kwijtraakt!! Dat zou mij nou noooooit overkomen” tegen elkaar. We lachen alsof we stepford wives zijn en moeder twee gooit haar haren naar achter.

“Bij ons zijn de batterijen altijd na één dag leeg en we hebben nóóit nieuwe batterijen in huis”, zegt de andere moeder zachtjes terwijl ze haar handen voor de oren van haar dochter houdt. Ik, moeder één en moeder twee ontvangen haar onverwachte biecht met veel enthousiasme en “amen!!”. De vrouw giechelt en loopt blozend met haar dochter de kleedkamer uit. Hanna heeft ondertussen 30 kleine stukjes paarse smurrie om zich heen liggen.

Eindelijk komen onze kinderen drijfnat de kleedkamer inlopen, een meute ouders volgt. Ons thee-loze-kransje is voorbij. We drogen haren af, knijpen badpakken uit en proberen sokken aan te doen over nog veel te natte voeten. Dan staat de vader op, de jurk van zijn dochter zit achterstevoren en deels in haar onderbroek. Hij roept luid door de kleedkamer: “nou, dames het was me weer een waar genoegen. Blij te horen dat ik niet de enige ouder ben die stom speelgoed van zijn kinderen stiekem weggooit als ze slapen! Tot volgende week! En oja, volgende week is die deal rond.” Hij kijkt mij en de twee moeders trots aan. Wij steken voorzichtig een duimpje op.

Om ons heen kijken een stuk of twaalf kinderen geschokt naar hun ouders. “nee joh, dat meent die meneer niet hoor. Dat doen wij niet.” hoor ik verschillende moeders uitleggen. Ik kijk of Sara wat gehoord heeft, maar die zit met Hanna half aangekleed op de grond van de kleedkamer en speelt met het walgelijke klompje paars slijm. Ik kan niet wachten tot ik het kwijtraakt.

High tea en hoge verwachtingen

Een tijdje geleden zat ik in een tijdschrift te bladeren. Dat doe ik niet vaak, maar er zijn momenten dat ik dat fijn vind, tot ik foto’s zie van dames in kleding die zo duur is dat ik er een lening voor af  zou moeten sluiten. Ik denk niet dat ik het zou aandurven om iets te eten of te drinken in zulke dure kleding, wellicht dat die modellen daarom zo slank zijn. Spaghettisaus op een witte blouse van achttienhonderd euro is wel zonde namelijk. Maarja, ik bladerde dus door een tijdschrift. En mijn oog viel op een artikel dat me aansprak.

De titel was “10 activiteiten voor moeder en dochter”. De inleiding was een stukje interview met een pedagoge die vertelde over hoe belangrijk het was dat moeders activiteiten ondernemen samen met hun dochters. Echte meiden dingen. En daar was vast een goede reden voor, maar omdat het tijdschrift vooral gericht was op plaatjes en schreeuwerige kopteksten was deze gereduceerd tot: “Samen dingen doen zorgt voor bonding.

Misschien was ik er die dag extra vatbaar voor, misschien was het omdat mijn meiden de laatste tijd letterlijk aan het been van mijn man hangen, misschien vond ik negen van de tien activiteiten in het tijdschrift best leuk klinken. Maar wát het ook was, ik besloot terplekke dat ik dit ook met mijn meiden gaan zou doen. Lekker “bonden”, doormiddel van leuke “bonding” activiteiten, “all about the bonding”, want “Bonding is awesome!”

Dus na een weekje bedenken en zoeken besloot ik een mengelmoes te maken van drie bonding activiteiten:
1. Trek je mooiste kleren aan
2. Ga uit eten bij een chique restaurant
3. Laat haar je lievelingsplek zien.

Resultaat: in prinsessenkleding een high tea op de Euromast met uitzicht op Rotterdam.

Flash forward: Ik heb er zo veel zin in!!! Vandaag is het zover, alles is geregeld en ik ben helemaal klaar voor een partijtje bonding waar je U tegen zegt! Vandaag wordt een idyllische dag die we voor altijd zullen herinneren. Vanaf vandaag zullen de kinderen aan mijn benen hangen.

In de ochtend leg ik voor beide meiden een setje prinsessenkleding klaar. Mezelf tut ik ook op. Ik föhn mijn haar in de krul en  trek de jurk aan die ik speciaal voor de kerst had gekocht en dus maar één keer eerder gedragen heb. Voor beide meiden heb ik ook een kroontje want alleen een prinsessen jurk is niet genoeg. Het is alles of niets.

De meiden spelen lekker buiten en wanneer ik ze naar binnen roep hijs ik ze in hun schattige outfits. Hanna moet wel al gelijk huilen in de auto op weg naar de Euromast, dat schrijf ik toe aan de honger en dat zal door de high-tea wel opgelost worden. Sara zegt dat ze liever nog zou buiten spelen, maar ik roep “maar mama heeft een verassing!!” en alles is goed.

Eenmaal bij de Euromast zegt Sara: “hier ben ik al een keer geweest”. Hanna vraagt wanneer papa komt. Maar ik ben zo blij met deze bonding ervaring dat ik het allemaal van me af schud. De lift in, naar de vierde verdieping, het restaurant in. We worden naar een prachtige tafel gewezen en de serveerster is heel vriendelijk. De meiden kijken uit het raam en ik vertel over wat ze allemaal zien.
dan legt Sara haar wang tegen het raam en zucht: “dit is saaaaaai”.

Vanaf daar gaat het alleen maar bergafwaarts. Hanna geeft drie keer een vals signaal dat ze moet poepen, dus lopen we drie keer het hele eind en twee trappen af naar de toilet. Zonder succes. Bij de derde keer staan er als we terugkomen al twee prachtige etagères met lekker hapjes voor groot en klein. Voor de meiden staat er limonade en  het is duidelijk dat Sara dit zelf heeft geprobeerd in te schenken want er ligt een grote roze plas op het tafelkleed. Hanna neemt een hapje van een broodje. “Blughh” en ze spuugt het hapje uit. “Vies” zegt ze terwijl ze het perfect vierkante broodje met chocopasta, dat haar ultieme korstloze brood-droom moet zijn, terug legt op de schaal. Sara zegt nogmaals dat het hier saai is, maar eet gelukkig wel een stuk taart. Ik probeer te praten over de vakantie, over school, over het eten, over Rotterdam, over prinsessen en tekenen. Maar niets helpt en alles is stom. Hanna besluit dat ze weg gaat en loopt richting de lift. Ik ren er achteraan en zet een huilende Hanna terug op haar stoel.

Ik weet ondertussen niet eens meer wat de term “bonding” betekend. Ik dep limonade met servetjes, zeg tegen Sara dat ze geen filmpje mag kijken op mijn telefoon ondanks dat het saai is en onderschep de vierde ontsnappingspoging van Hanna. Niemand eet meer. We zien er mooi uit, maar daar houdt het mee op. Ik twijfel of ik met de twee boze stiefzusters van assepoester uit eten ben. Hanna staat met haar schoenen op een witte bank en Sara zegt dat ze moet plassen.

De serveerster is nog steeds super aardig als ik de rekening vraag. Terwijl zij de bon print ren ik met Sara naar de trap en zeg dat onderaan de trap de wc is. Ik ren terug naar Hanna en reken af. Vervolgens ga ik met Hanna  de trap af naar de toiletten om Sara op te halen. Ik krijg geen gehoor van Sara in de dames toiletten. Wel zet ik Hanna op een toilet voor een vierde poep-poging. Ik roep voorzichtig “Sara?” in de mannen toilet en maak een excuserend gebaar naar de man die omkijkt vanaf een pisbak. “ik kreeg mijn legging niet naar beneden…” hoor ik zachtjes vanuit het enige wc hokje. Vanuit mijn ooghoeken zie ik Hanna in d’r blote kont de dames toilet uitlopen.

Drie prinsessen staan zwijgend in de lift van de Euromast en stappen zwijgend in de auto.  “Heeft iedereen zijn gordel om?” vraag ik en herinner me vervolgens dat ik net zelf allebei de gordels heb vast gemaakt. We rijden door Rotterdam en ik kijk naar alle gebouwen die ik net heb aangewezen vanuit de Euromast. Ik rij langs ons oude huis en wil het aanwijzen, maar ik bedenk me en rijd er langs. “mag ik straks buiten spelen?” vraagt Sara en ik antwoord: “nee, je moet zo naar zwemles.”

Drie chagrijnige prinsessen komen thuis. Geen enkele prinses verteld over onze idyllische bonding van vandaag. Ik trek mijn kerstjurk uit en hijs mezelf weer in een spijkerbroek. Naast het bed ligt het inmiddels stoffige tijdschrift. Gefrustreerd smijt ik het in de oud papier bak.

Elke minuut telt

Het is nog steeds vakantie. En als je geen kinderen hebt is het heerlijk om met dat idee wakker te worden. Ik weet nog goed hoe het was. Je doet je ogen open, rekt je uit en kijkt op je telefoon. Je ziet 9.00 staan en denkt “ik draai me nog eens om”. Misschien ga je snel even plassen, je probeert je ogen zoveel mogelijk dicht te houden om de slaap-vibes te bewaren en kruipt snel weer terug onder je deken. De volgende tijd die je ziet staan op je telefoon is 12:30. En dan denk je terwijl je nog in je bed ligt na over wat je wilt ontbijten en welke kleren je aan gaat trekken. Je grootste dilemma is: ga ik eerst douchen  of eerst eten. Maar dat is het dan ook. Heerlijk…. Zo was het ooit…

Twee kinderen later zien mijn ochtenden er iets anders uit. En dan laat ik de werkdagen even buiten beschouwing.

Ik heb vakantie en lig lekker in bed. Mijn deken voelt als een warme omhelzing en het matras ligt zo lekker dat ik mezelf één voel worden met het mee-verende materiaal. Ik droom van een strand en palmbomen terwijl ik met een rietje een drankje slurp uit een met fruit versierd glas.  In de verte komt een ober aanlopen met mijn volgende drankje. De golven slaan op het strand en het zand straalt warmte af. Terwijl ik zonnebrand smeer (waaraan op magische wijze geen zand blijft plakken) hoor ik in de verte zeemeeuwen. Alles is perfect.

“mama…” hoor ik door de golven heen en ik zet mijn drankje neer. “mama!” hoor ik nog een keer, nu duidelijker. “mama, Ik ben wakker!!” het strand verdwijnt en ik open mijn ogen. Op twee centimeter van mijn gezicht zie ik twee paar blauwe ogen voor m’n neus zweven. Als ik mijn hoofd naar achter beweeg en m’n ogen zich eindelijk kunnen focussen blijkt het maar één paar blauwe ogen te zijn. De ogen van mijn jongste dochter.

“wakker, mama” zegt Hanna nog een  keer. Gedesoriënteerd grijp ik naar mijn telefoon om te kijken hoe laat het is, 6.50 geeft mijn veel te felle beeldscherm aan. Ik leg de telefoon weer neer en kijk nogmaals naar Hanna. Die staat met grote ogen en een nog grote glimlach afwachtend te kijken.
Mijn oudste is nog niet wakker dus ik begin mijn eerste poging om langer in bed te kunnen blijven liggen.

Ik schuif een stukje naar het midden van het matras en hou met één arm de deken omhoog. “kom maar” zeg ik. “maar wel stil zijn, iedereen slaapt nog.” En om het extra kracht bij te zetten benoem ik “de héle wéreld slaapt nog”. Hanna kruipt naast me. Ze is nog lekker warm en we liggen strak tegen elkaar aan. Dit heerlijke moment duurt welgeteld heerlijke 3 seconden. Dan prikt ze met een vinger tegen mijn neus en zegt “tuuuut”. Ik zeg nogmaals dat de hele wereld nog slaapt en Hanna aait over mijn wang. “slaap lekker”, zegt ze, om daarna “wakker worden!!”  te roepen en vervolgens de slappe lach te krijgen. Dit werkt niet.

Het geschater van Hanna is blijkbaar ook in de aangrenzende kamer te horen en het duurt niet lang of Sara staat ook aan het bed. “ik wil er ook bij” zegt ze stellig en ik doe weer met één arm de deken omhoog zodat ze naast Hanna kan aanschuiven. Maar nee, madam moet in het midden. Na haar al haar knieën en ellebogen tussen mijn ribben te hebben gevoeld heeft ze eindelijk haar plekje gevonden. En zo leggen we weer vijf heerlijke seconden vredig naast elkaar, voordat Sara zegt “ik wil naar beneden” en Hanna zegt “ik wil mee, ik wil spelen”.

In mijn hoofd vind nu een supersnelle rekensom plaats. Ik zal je de precieze details besparen, maar het komt er op neer dat ik alle kosten en baten bereken van een situatie waarin de twee meiden alleen beneden zijn en wij nog even boven in bed liggen. Heb ik de mooie wijnglazen opgeborgen? Slingert er ergens nog vingerverf of lijm rond? Hoeveel schade heb ik er voor over om nog even op mijn droomstrand te kunnen zijn? Als ik mentaal alle breekbare spullen heb kunnen lokaliseren zeg ik: “ga maar, mama en papa komen zo”.

Ik lig nog in bed. Beneden hoor ik gestommel, maar het klinkt niet alsof er iets kapot gaat, niets waardevols in ieder geval. Ik hoor de meiden lachen en daarna hoor ik Hanna even au roepen, maar daarna gelukkig weer lachen. Er zijn dus geen verwondingen waarvoor ik nu gelijk naar beneden moet komen.

“ik heb honger!!” klinkt het onderaan de trap. Ik maak weer een mentaal  kostenplaatje. Vind ik het tien minuten extra bed-tijd waard om de meiden zelfstandig een kuipje smeerkaas leeg te laten lepelen en vervolgens hagelslag op een boter-loze boterham te laten storten? Prima, is mijn conclusie. “Pak zelf maar wat!” Fluister-roep ik vanuit bed. Ik heb vakantie, ik ruim het later wel op.

Als even later ook “dorst!” naar boven wordt geroepen probeer ik te bedenken hoe groot een plas melk van 1,5 liter is. Aangezien dit zeker weten het gevolg zal zijn van een poging om zelf drinken in te schenken. Heb ik de energie om met mijn slaperige hoofd 5 vierkante meter melk op te ruimen? Is dit het waard om nog langer voor in bed te blijven liggen? Nee.

Ik sla de deken van me af, ruk me los van mijn matras en zeg daarmee vaarwel tegen het strand en de palmbomen. Eenmaal beneden kan ik nog net Sara onderscheppen die het volle pak melk gevaarlijk schuin houdt. Het kuipje smeerkaas is voor de verandering niet leeggegeten, maar ligt wel op zijn kant op het aanrecht. Op een bordje ligt een boterham met hagelslag, bij nadere inspectie blijkt er smeerkaas onder te zitten als plakmiddel. Dit was mijn extra bed-tijd wel waard.

Ik zet de meiden aan tafel en geef ze een boterham met iets minder avontuurlijk beleg en een glas melk. Zelf pak ik een glas sap. In een mooi wijnglas en op de rand duw ik een aardbei. Tropischer  dan dit zal het vandaag niet worden.