Erop of eronder

“Mamaaa… Ik heb Pijijijijijn….” Huilt Hanna en ze loopt met uitgestrekte armen naar mij toe. Ik huil ook, maar ik snij uien voor het avondeten.

Het is een typische vrijdagmiddag. En met een typische vrijdagmiddag bedoel ik: iedereen is moe, iedereen is klaar met de week en niets gaat zoals het zou moeten. Huilend van de uien neem ik huilende Hanna op schoot en laat haar d’r verhaal doen. Ik kijk er niet van op, want op vrijdag middag gebeuren er nou eenmaal rare dingen.

Een gemiddelde typische vrijdagmiddag is hectisch. Maar nu is het ook nog de eerste vrijdagmiddag na de herfstvakantie. Die eerste normale week is altijd een rot week, want ouders zijn na een week vakantie met kinderen eigenlijk gewoon toe aan een week vakantie zonder kinderen. Ondanks dat het heel fijn was en we echt gezellige dingen hebben gedaan. Maar je bent gewoon moe, je hebt 24/7 je kinderen om je heen gehad en ze vermaakt. En nu is het tijd voor jezelf. Maar dat kan niet, want de vakantie is zit erop.  
Daarnaast moeten in deze eerste schoolweek kinderen weer wennen aan het feit dat alles op tijd moet gebeuren. Structuur en zo… Sara vindt het vooral hartverscheurend dat ze elke ochtend normale kleding aan moet doen en niet in haar pyjama kan blijven rondhangen. En Hanna moet weer wennen aan de dagopvang, maar vooral aan dat Sara niet de hele dag bij haar is. Want die twee hebben altijd de grootste lol, totdat ze moe worden en één van de twee moet huilen.

Maar even terugkomend op het verhaal van huilende Hanna. Ze heeft pijn en vertelt mij wat er is gebeurd. Ik denk niet dat iemand anders haar zou hebben verstaan tussen al het sniffen en snikken door, maar met een aantal steekwoorden en dramatische gebaren lukt het Hanna om een plaatje te vormen.
Het verhaal is dat zij en Sara op de grond lagen voor de tv en dat het Sara een goed idee leek om een kussen van de bank bovenop Hanna haar gezicht te leggen. Dat vond Hanna echter een minder goed idee, dus ze had haar hoofd erop gelegd. Maar Sara wilde ook met haar hoofd op het kussen (grote kleine mensen problemen), dus trok ze het onder Hanna vandaan. Die op haar beurt een schedelbasisfractuur opliep omdat haar kop tegen de grond knalde.
Ik weet eigenlijk niet zo goed waar ik moet beginnen met dit verhaal, dus zeg ik iets in de trend van: “Sara, doe eens voorzichtig met je zusje, we hebben geen nieuwe als deze kapot gaat.” Sara kijkt mij met een wazige blik en rode vermoeidheidswangen aan en hanna wrijft over haar achterhoofd. Dit heeft geen nut, het lijkt wel of er niets meer tot ze doordringt. Ze zijn te moe en tegelijkertijd de slaap al voorbij, er valt geen land mee te bezeilen. Ze lijken wel dronken…

Ja, dat dus. Elke vrijdag middag hebben wij twee kleine dronken mensen in huis rond stampen… Twee kleine dronken mensen die zonder dat ze dit met opzet doen elke vijf minuten een ondoordachte poging doen om elkaar te vermoorden of iets slopen. Sara duwt een kussen op Hanna d’r hoofd, er valt een plant om, Hanna gaat op Sara d’r hoofd zitten, er gaat een glas kapot, Sara probeert Hanna op te tillen en laat haar met een doodsmak vallen. Soms kunnen ze er wel om lachen, als je dronken bent ben je immers erg flexibel. Andere keren moeten ze er om huilen met lange vermoeide uithalen en ongecontroleerde naschokkende ademhaling. Toch heeft het geen zin om op vrijdagmiddag uit te leggen dat het ook niet zo handig is om als spelletje zo hard mogelijk tegen elkaar aan te rennen. Kleine dronken mensen luisteren namelijk niet.

Dus eten we op tijd. Sara hangt als een echte dronkenlap met haar kin op de eettafel, ze krijgt de slappe lach omdat ze haar hele hoofd nu moet bewegen om te kauwen in plaats van alleen haar onderkaak. Hanna blaast belletjes in haar drinken en doopt ook haar sperzieboontjes erin. Arno en ik twijfelen of wij ook de slappe lach krijgen of stiekem een beetje willen huilen in de trapkast.

Na het eten beland Dronken Hanna, wanneer we even niet opletten, met kleding en al in bad. En Dronken Sara moeten we later op de avond nog een keer terug op bed leggen. Maar dan lijkt het er toch op dat de twee meiden hun roes eindelijk gaan uitslapen. De eerste week zit erop, vanaf hier kan het alleen maar beter worden. Met een wijntje plof ik naast arno op de bank en roep: “weekend!” en ik proost enthousiast tegen zijn glas dat op de tafel staat. Arno kijkt me strak aan en zegt: “we moeten morgen om 9:00 in Delft zijn voor een rugbywedstrijd”.

Ik zet mijn wijntje weer neer, zak onderuit op de bank en leg een kussen op mijn gezicht, arno legt zijn hoofd erop. Met mijn gezicht in het kussen kies ik dan toch maar voor de slappe lach.

Wat in het vat zit…

“En? Hoe smaakt het?” vraagt Arno. Met tranen in mijn ogen en een brandend gevoel in mijn keel antwoord ik: “alles wat ik ervan verwacht had… en meer…”

Dit keer geen verhaal over ouderavonden, sporttrainingen of over mijn kinderen. Wel is het een belangrijk onderdeel in mijn leven, iets waarvan ik ben gaan houden en niet meer zonder kan. Ook al denk ik wel dat het direct gerelateerd is aan het leven met en opvoeden van kinderen: Wijn!

Er zijn zoveel momenten dat ik denk “Zo, nu heb ik wel een wijntje verdiend.” Ik weet zelf ook dat het geen goed coping mechanisme is, maar soms ben je gewoon trots dat iedereen nog leeft aan het einde van de dag. Want laten we wel wezen, kinderen hebben vanaf dat ze kunnen lopen ongeveer tien bijna-dood ervaringen per dag zonder dat ze dit zelf doorhebben. Je vangt ze nét op tijd als ze achteruit van de bank af vallen, ze rennen als malloten door je huis en missen op een háár na de punt van de eettafel, lopen pontificaal tegen de glazen schuifpui aan en stappen zonder te kijken de straat op.  En terwijl zij zorgeloos doorgaan met hun leventje, zetten wij de volgende reddingsactie al in, maar moeten we het vorige trauma nog verwerken.

Dus aan het einde van de dag geef ik mezelf een schouderklopje omdat iedereen nog leeft en schenk ik een wijntje in. En nee, ik ben geen wijnkenner, maar hoe drukker de dag was hoe lekkerder mijn wijntje smaakt. De frisse smaak van rust, de fruitige tinteling van stilte en een exotische afdronk van snacks die ik niet hoef te delen.

Nu las ik pas een artikel waarin moeders als ik ontaarde moeders werden genoemd. De ene helft van de vrouwen gebruikt deze term als soort van scheldwoord, een negatieve benaming voor moeders die ’s avonds andere dingen drinken dan diksap uit een tuitbekertje. En de andere helft lijkt de term ontaarde moeders met trots te dragen. Want ook mét kinderen ben ik nog lekker hip. Zelf denk ik dat deze hele term een beetje passé is en heb ik sinds kort een nieuwe term in het leven geroepen: “De zelfvoorzienende moeder”

Want tegenwoordig maak ik zelf wijn! Jazeker! Al vier jaar woon ik in een huis met een tuin waarin druiven groeien en al twee jaar terug heb ik een starters set gekocht om vijf liter wijn te kunnen maken. Maar dit jaar is het eindelijk echt zover, deze moeder wordt volledig zelfvoorzienend. Ik maak wijn, ik drink wijn, het is een perfecte cyclus. Maar waar ik niet bij stil had gestaan was hoe moeilijk het is en hoeveel geduld je ervoor moet hebben…

Ik had blijkbaar een erg romantisch beeld van het maken van wijn. Je stampt de druiven in een grote ton met je blote voeten fijn, dan voeg je er een berg liefde en een klassieke Franse chanson aan toe, goed roeren: Et voila!
Maar niets is minder waar. In de starters set zaten onderdelen en poedertjes waarvan ik nog nooit had gehoord. In het boekje stap voor stap wijn maken stonden bij de eerste stap al zulke moeilijke termen dat ik niet eens zeker wist of dit wel over wijn maken ging. Er moesten pecto-enzymen in en rohpect pro, ik had nog nooit van een hydrometer gehoord en nu moest ik hem kunnen aflezen. Maar het moeilijkste moest nog komen, want bij stap 3 stond: “laat je wijn nu een maand rusten.

En als je mij een beetje kent, dan weet je dat geduld niet mijn sterkste kant is… Ik ben van de directe behoefte bevrediging. Handeling, resultaat. Actie, reactie. Ik ben dat kind dat met die test gelijk het snoepje opeet, terwijl ik weet dat als ik netjes had gewacht ik twee snoepjes zou krijgen. En dan vragen ze mij om mijn wijn op zolder te zetten, voor een hele maand. Daarna moet ik het hevelen naar een andere fles. En dan wéér een maand laten staan!!

Eergister werd ik gelijk gestraft voor mijn onvermogen tot uitstellende vermogen. Omdat ik geen geduld had om op mijn rode wijn te wachten, ben ik vorige week begonnen met een appelwijn en die was eergister klaar om voor de eerste keer geheveld te worden voordat hij een maand op zolder moet. Maar toen heb ik me laten verleiden om een slokje te nemen. Eén slokje maar, dat kan toch geen kwaad?
Nou… wel dus. Jonge wijn, zoals ze dat noemen, is dus echt super zuur. Maar dat was niet het ergste. Het schijnt dus zo te zijn dat, wanneer de gist nog “werkt”, je keel ervan dicht gaat zitten. Niks frisse tinteling, niks ronde afdronk, niks fruitige smaak. Het leek wel alsof ik een slok pure straaljagerbrandstof had genomen. De tranen schoten in mijn ogen, mijn keel stond in de fik en de slok viel als een brandende bal door mijn slokdarm naar beneden in mijn maag, waar die vervolgens 3 uur lang gloeiend bleef liggen.

Dus nu staat de wijn voor straf op zolder en dat voelt een stuk beter aan. Met kinderen doe je dat natuurlijk niet, maar deze wijn zal ik eens goed opvoeden. En na deze maand heb ik nóg drie maanden te gaan, dus in 2021 zal ik eindelijk een zelfgemaakt glaasje kunnen drinken. Ik hoop dat dan de herinnering aan deze slok vervaagd is en dat ik dan de moed heb om toch nog een keer te proeven. In de tussentijd ben ik nog een trouwe afnemer van de middelmatige wijntjes met draaidop.

Ik kijk nu al uit naar een avond ergens in februari waarop ik mijn eigen vieze zelfgemaakte wijn drink (met een ingehouden vies gezicht en betraande ogen). En dat arno dan vraagt of het al dat wachten waard was en dat ik dan antwoord: “Leeft iedereen nog en slapen de kinderen? Ja? Dan is mijn wijntje lekker.”

Rugby en radslagen

“Hmmfff shshe mggfffttt” roept Sara vanuit de verte en ik kijk haar vragend aan. Ze herhaalt het nogmaals, waarop ik gebaar dat ze haar bitje even uit moet doen. “zag je dat!?!” roept ze extra hard en verstaanbaar over het hele veld heen. Ik knik van ‘ja’ steek mijn duim op. Nee, natuurlijk zag ik het niet.

Sara zit sinds een paar maanden op rugby. Een sport die tot verkort in mijn hoofd alleen te maken had met mannen die op elkaar inbeuken. Grote gespierde mannen….zwetende mannen…. Mannen in strakke shirts… stoere zwetende mannen…. Zucht…
Maarja, wat ik dus eigenlijk bedoel, ik had er niet over nagedacht dat Sara deze sport kon gaan doen. Totdat een vriend van arno zei dat hij trainer is bij de rugby-guppen (de jongste kids). Zodoende en aldus, lang verhaal kort: Sara zit nu op rugby en het is geweldig leuk.

Ten eerste, de bal heeft een rare vorm. Sara kan er niet over uit. De bal is raar. En daarom moet er tijdens de eerste paar trainingen meerdere malen een poging gedaan worden om de bal rond te krijgen. Je ziet haar denken: “wat nou als ik erop ga staan… of als ik de punten met mijn handen naar elkaar druk.” Een half jaar later heeft ze het laten rusten, deze rare bal is niet meer te redden.

Ten tweede, Sara had nog nooit van rugby gehoord. Aan hobby’s is er thuis geen gebrek. Ik schilder, maak muziek, verzorg mijn planten. Arno kijkt voetbal en de tour de France en zit tussen mijn planten. Maar rugby hebben we nog nooit gekeken, dus ook niet gespeeld, laat staan dat we Sara ooit verteld hebben hoe het spelletje werkt. En dat is te zien.
Met veel geduld en passie proberen de trainers uit te leggen waarom je eerst met de bal je voet moet aantikken, hoe het ene team in een pizzapunt moet gaan staan en het andere team een Chinese muur moet vormen. Sara heeft nu het idee van de Chinese muur wel door, je vormt met je team een ondoordringbare barrière door in één lijn naast elkaar te gaan staan over de breedte van het veld. Top!
Daar staat ze dan, armen en benen wijd, niemand komt hier langs! Wanneer de trainer fluit rent de aanvallende partij moeiteloos langs Sara, die stokstijf blijft staan op haar plek van de Chinese muur… De volgende vijf minuten van de training wordt er uitgelegd dat je wel mag bewegen en verplaatsen om de tegenpartij tegen te houden.

Ten derde, en dit is niet cynisch bedoeld, de rugby-ouders zijn super relaxed. Gelijk al bij de eerste training krijgen we van de teamleider te horen dat het leuk is dat we er zijn maar dat dit een team sport is. Het is niet gewenst om alleen je eigen kind aan te moedigen. Als je juicht, juich je voor het team. Ook roep je geen coachende of rugby gerelateerde zaken zoals “tackel hem dan!!” of “linksom rennen!!”. Neen!! Dat is aan de coaches. Eigenlijk hoef je ook in de pauze het veld niet op te komen en kunnen de coaches wel beoordelen of je kind gewond is na een val. Dus wat kan je als ouder dan wél doen? Dat vraag je je nu wellicht af?  
Niets. He-le-maal niets…. En het is heerlijk!! We kletsen, we kijken af en toe naar de kids, drinken een bakkie, pielen op onze telefoon, lachen (zachtjes)  onze kids uit, vragen ons af wanneer het op rugby gaat lijken en zwaaien af en toe terug wanneer een kind vanuit de verte oogcontact zoekt. Het is heerlijk!

Verder heeft Sara, net als ze meeste anderen, de concentratie nog niet om een hele training bewust mee te maken. Wanneer we ongeveer veertig minuten bezig zijn zie ik haar steeds meer afdwalen. Ze kan de discipline niet meer opbrengen om naar de trainers te luisteren en langzaam komen haar kinderlijke impulsen weer naar boven. En één van de impulsen waar Sara altijd aan toe moet geven is het maken van een radslag. Ze kan er niets aan doen, het moet eruit.

Vanaf de zijlijn zie ik het al aankomen, midden in een oefenwedstrijdje kijkt Sara om zich heen. Nee, ze kijkt niet waar de bal is. Ze kijkt of ze genoeg ruimte heeft om zich heen. Dan loopt ze zo’n 5 stappen met haar armen in de lucht en haar blik op de grond gericht. En dan… Haar team rent ondertussen naar de andere kant van het veld. Sara maakt een radslag met kromme benen en landt net uit evenwicht. Daardoor moet ze er een soort van pirouette achteraan maken om overeind te blijven, maar dan staat ze stil. Trots kijkt ze om zich heen, haar team is twintig meter verder aan het stoeien om de rare bal. Sara huppelt er naartoe en mengt zich de kluwen armen en benen.

De trainer fluit, het is pauze en de teams rennen richting de zijlijn. Een stuk of zes kinderen gooien even vrij over met de rare bal, Sara doet mee. Ze gooit naar haar buurman en begint weer aan het maken van een radslag. De bal is nu het hele rijtje afgegaan en is nu weer bijna terug bij Sara. Haar buurman gooit de bal naar Sara die gelijktijdig haar benen in de lucht gooit…
Trainers, kinderen en ouders kijken hoe de bal haar voet raakt en vervolgens door de lucht vliegt. Even is het stil en iedereen volgt het rare ding met zijn ogen. Op een paar meter na vliegt de bal langs de palen en teleurgesteld zegt iemand “oeoeoeh een beetje meer naar het midden had mooi geweest”. Zelfs de trainers besluiten de man niet aan te spreken op zijn coachende en rugby gerelateerde uitspraak.

“hmmfff shshe mggfffttt” roept Sara. En ik roep terug: “ja! Ik zag het!!”

De verdwijntruc

“Mevrouw u mag hier niet staan, de gangen moeten vrij blijven.” Met engelen geduld spreekt de drieëntwintigjarige badmeester mij aan en zegt dat ik in de kleedkamer kan wachten, of in het restaurant waar een consumptie verplicht is. Vorige week zei hij hetzelfde en de week daarvoor ook. Maar ik probeer toch even te zien of Sara blijft drijven als ze met kleding aan moet zwemmen en vanaf de gang is de enige plek waar ik haar kan zien ploeteren in het water.  Vervolgens is ze de andere helft van de zwemles bezig met de natte kleding, die vacuüm tegen haar lichaam geplakt zit,  uit te trekken.

Zwemles is voor ouders niet het meest enerverende uitje van de week, maar als je niet mag kijken naar je kind dan blijft er helemaal weinig over. Als ik Hanna mee neem dan hobbel ik een beetje achter haar aan terwijl ze door het hele pand loopt, maar nu mag dat niet meer. Dus Hanna en ik zijn gebonden aan de kleedkamer. Drie kwartier lang.

Nu we elke week op de harde latjes van de kleedkamerbankjes zitten heb ik wel even te tijd om met andere ouders te praten. We zijn nu een vast groepje van vier. Drie moeders en één vader. Ons wekelijks thee-loze-kransje  gaat voornamelijk over dat we ons echt niet kunnen herinneren dat we vroeger ook al borstcrawl moesten doen voor onze A diploma. Dat we niet snappen waarom ze hun vingers bovenwater moeten houden met watertrappelen. Als ik ooit in het midden van de oceaan drijf als schipbreukeling zal ik vast niet ineens denken: “oh shit, ik moet wel mijn vingers bovenwater houden”.
Verder bespreken de moeders Netflix series en zit vader zwijgend naar ons te luisteren of te luid te telefoneren voor werk. Vervolgens vragen wij of zijn deal nou nog niet rond is, terwijl we alle drie niet weten wat voor werk hij doet. Hij antwoord dat het écht eraan zit te komen, volgende week gaat het gebeuren. Wij roepen enthousiast dat we ook dat idee kregen bij het horen van dit gesprek. Moeder één, moeder twee en ik knikken heftig met ons hoofd om onze woorden kracht bij te zetten. Ondertussen speelt Hanna op de grond met paars glinsterslijm, dat heeft ze van Sara gekregen die het zelf gemaakt heeft op een verjaardagsfeestje.

Moeder één kijkt naar Hanna en spreek haar verbazing uit over dat kinderen die slijm-rommel zo leuk vinden. Ondertussen kneedt Hanna vier lange vieze haren mee in de bonk paars slijm. Ik snap wel dat kinderen het leuk vinden, ik vind het zelf ook wel lekker voelen als het net nieuw is. Maar als ik nu naar het ranzige bonkje slijm van Hanna kijk, krijg ik vooral kokhals neigingen. Haar, zand, broodkruimels, stof en mieren. Alles wordt opgenomen in de paarse massa, maar Hanna stoort zich er niet aan.

“Ik denk dat het vanavond kwijt raakt als ze op bed ligt” zeg ik. En beide moeders knikken begrijpend. “gisteravond is de zak magic sand van mijn dochter kwijtgeraakt” biecht moeder één schouderophalend op. “oja, dat raken wij ook altijd kwijt” beaamt moeder twee. Ondertussen speelt Hanna verder met de afgrijselijke paarse harige bonk.

Een andere moeder die met haar dochter is binnen gekomen in de kleedkamer luistert even mee naar de stroom van kwijtgeraakt speelgoed die we opnoemen. De speelgoed xylofoon, play dough, blokfuit, strijkkraaltjes. De rij wordt steeds langer en wij worden steeds luidruchtiger en roepen gekscherend dingen als “wat een ontaarde moeder ben jij dat je altijd alles kwijtraakt!! Dat zou mij nou noooooit overkomen” tegen elkaar. We lachen alsof we stepford wives zijn en moeder twee gooit haar haren naar achter.

“Bij ons zijn de batterijen altijd na één dag leeg en we hebben nóóit nieuwe batterijen in huis”, zegt de andere moeder zachtjes terwijl ze haar handen voor de oren van haar dochter houdt. Ik, moeder één en moeder twee ontvangen haar onverwachte biecht met veel enthousiasme en “amen!!”. De vrouw giechelt en loopt blozend met haar dochter de kleedkamer uit. Hanna heeft ondertussen 30 kleine stukjes paarse smurrie om zich heen liggen.

Eindelijk komen onze kinderen drijfnat de kleedkamer inlopen, een meute ouders volgt. Ons thee-loze-kransje is voorbij. We drogen haren af, knijpen badpakken uit en proberen sokken aan te doen over nog veel te natte voeten. Dan staat de vader op, de jurk van zijn dochter zit achterstevoren en deels in haar onderbroek. Hij roept luid door de kleedkamer: “nou, dames het was me weer een waar genoegen. Blij te horen dat ik niet de enige ouder ben die stom speelgoed van zijn kinderen stiekem weggooit als ze slapen! Tot volgende week! En oja, volgende week is die deal rond.” Hij kijkt mij en de twee moeders trots aan. Wij steken voorzichtig een duimpje op.

Om ons heen kijken een stuk of twaalf kinderen geschokt naar hun ouders. “nee joh, dat meent die meneer niet hoor. Dat doen wij niet.” hoor ik verschillende moeders uitleggen. Ik kijk of Sara wat gehoord heeft, maar die zit met Hanna half aangekleed op de grond van de kleedkamer en speelt met het walgelijke klompje paars slijm. Ik kan niet wachten tot ik het kwijtraakt.

High tea en hoge verwachtingen

Een tijdje geleden zat ik in een tijdschrift te bladeren. Dat doe ik niet vaak, maar er zijn momenten dat ik dat fijn vind, tot ik foto’s zie van dames in kleding die zo duur is dat ik er een lening voor af  zou moeten sluiten. Ik denk niet dat ik het zou aandurven om iets te eten of te drinken in zulke dure kleding, wellicht dat die modellen daarom zo slank zijn. Spaghettisaus op een witte blouse van achttienhonderd euro is wel zonde namelijk. Maarja, ik bladerde dus door een tijdschrift. En mijn oog viel op een artikel dat me aansprak.

De titel was “10 activiteiten voor moeder en dochter”. De inleiding was een stukje interview met een pedagoge die vertelde over hoe belangrijk het was dat moeders activiteiten ondernemen samen met hun dochters. Echte meiden dingen. En daar was vast een goede reden voor, maar omdat het tijdschrift vooral gericht was op plaatjes en schreeuwerige kopteksten was deze gereduceerd tot: “Samen dingen doen zorgt voor bonding.

Misschien was ik er die dag extra vatbaar voor, misschien was het omdat mijn meiden de laatste tijd letterlijk aan het been van mijn man hangen, misschien vond ik negen van de tien activiteiten in het tijdschrift best leuk klinken. Maar wát het ook was, ik besloot terplekke dat ik dit ook met mijn meiden gaan zou doen. Lekker “bonden”, doormiddel van leuke “bonding” activiteiten, “all about the bonding”, want “Bonding is awesome!”

Dus na een weekje bedenken en zoeken besloot ik een mengelmoes te maken van drie bonding activiteiten:
1. Trek je mooiste kleren aan
2. Ga uit eten bij een chique restaurant
3. Laat haar je lievelingsplek zien.

Resultaat: in prinsessenkleding een high tea op de Euromast met uitzicht op Rotterdam.

Flash forward: Ik heb er zo veel zin in!!! Vandaag is het zover, alles is geregeld en ik ben helemaal klaar voor een partijtje bonding waar je U tegen zegt! Vandaag wordt een idyllische dag die we voor altijd zullen herinneren. Vanaf vandaag zullen de kinderen aan mijn benen hangen.

In de ochtend leg ik voor beide meiden een setje prinsessenkleding klaar. Mezelf tut ik ook op. Ik föhn mijn haar in de krul en  trek de jurk aan die ik speciaal voor de kerst had gekocht en dus maar één keer eerder gedragen heb. Voor beide meiden heb ik ook een kroontje want alleen een prinsessen jurk is niet genoeg. Het is alles of niets.

De meiden spelen lekker buiten en wanneer ik ze naar binnen roep hijs ik ze in hun schattige outfits. Hanna moet wel al gelijk huilen in de auto op weg naar de Euromast, dat schrijf ik toe aan de honger en dat zal door de high-tea wel opgelost worden. Sara zegt dat ze liever nog zou buiten spelen, maar ik roep “maar mama heeft een verassing!!” en alles is goed.

Eenmaal bij de Euromast zegt Sara: “hier ben ik al een keer geweest”. Hanna vraagt wanneer papa komt. Maar ik ben zo blij met deze bonding ervaring dat ik het allemaal van me af schud. De lift in, naar de vierde verdieping, het restaurant in. We worden naar een prachtige tafel gewezen en de serveerster is heel vriendelijk. De meiden kijken uit het raam en ik vertel over wat ze allemaal zien.
dan legt Sara haar wang tegen het raam en zucht: “dit is saaaaaai”.

Vanaf daar gaat het alleen maar bergafwaarts. Hanna geeft drie keer een vals signaal dat ze moet poepen, dus lopen we drie keer het hele eind en twee trappen af naar de toilet. Zonder succes. Bij de derde keer staan er als we terugkomen al twee prachtige etagères met lekker hapjes voor groot en klein. Voor de meiden staat er limonade en  het is duidelijk dat Sara dit zelf heeft geprobeerd in te schenken want er ligt een grote roze plas op het tafelkleed. Hanna neemt een hapje van een broodje. “Blughh” en ze spuugt het hapje uit. “Vies” zegt ze terwijl ze het perfect vierkante broodje met chocopasta, dat haar ultieme korstloze brood-droom moet zijn, terug legt op de schaal. Sara zegt nogmaals dat het hier saai is, maar eet gelukkig wel een stuk taart. Ik probeer te praten over de vakantie, over school, over het eten, over Rotterdam, over prinsessen en tekenen. Maar niets helpt en alles is stom. Hanna besluit dat ze weg gaat en loopt richting de lift. Ik ren er achteraan en zet een huilende Hanna terug op haar stoel.

Ik weet ondertussen niet eens meer wat de term “bonding” betekend. Ik dep limonade met servetjes, zeg tegen Sara dat ze geen filmpje mag kijken op mijn telefoon ondanks dat het saai is en onderschep de vierde ontsnappingspoging van Hanna. Niemand eet meer. We zien er mooi uit, maar daar houdt het mee op. Ik twijfel of ik met de twee boze stiefzusters van assepoester uit eten ben. Hanna staat met haar schoenen op een witte bank en Sara zegt dat ze moet plassen.

De serveerster is nog steeds super aardig als ik de rekening vraag. Terwijl zij de bon print ren ik met Sara naar de trap en zeg dat onderaan de trap de wc is. Ik ren terug naar Hanna en reken af. Vervolgens ga ik met Hanna  de trap af naar de toiletten om Sara op te halen. Ik krijg geen gehoor van Sara in de dames toiletten. Wel zet ik Hanna op een toilet voor een vierde poep-poging. Ik roep voorzichtig “Sara?” in de mannen toilet en maak een excuserend gebaar naar de man die omkijkt vanaf een pisbak. “ik kreeg mijn legging niet naar beneden…” hoor ik zachtjes vanuit het enige wc hokje. Vanuit mijn ooghoeken zie ik Hanna in d’r blote kont de dames toilet uitlopen.

Drie prinsessen staan zwijgend in de lift van de Euromast en stappen zwijgend in de auto.  “Heeft iedereen zijn gordel om?” vraag ik en herinner me vervolgens dat ik net zelf allebei de gordels heb vast gemaakt. We rijden door Rotterdam en ik kijk naar alle gebouwen die ik net heb aangewezen vanuit de Euromast. Ik rij langs ons oude huis en wil het aanwijzen, maar ik bedenk me en rijd er langs. “mag ik straks buiten spelen?” vraagt Sara en ik antwoord: “nee, je moet zo naar zwemles.”

Drie chagrijnige prinsessen komen thuis. Geen enkele prinses verteld over onze idyllische bonding van vandaag. Ik trek mijn kerstjurk uit en hijs mezelf weer in een spijkerbroek. Naast het bed ligt het inmiddels stoffige tijdschrift. Gefrustreerd smijt ik het in de oud papier bak.

Elke minuut telt

Het is nog steeds vakantie. En als je geen kinderen hebt is het heerlijk om met dat idee wakker te worden. Ik weet nog goed hoe het was. Je doet je ogen open, rekt je uit en kijkt op je telefoon. Je ziet 9.00 staan en denkt “ik draai me nog eens om”. Misschien ga je snel even plassen, je probeert je ogen zoveel mogelijk dicht te houden om de slaap-vibes te bewaren en kruipt snel weer terug onder je deken. De volgende tijd die je ziet staan op je telefoon is 12:30. En dan denk je terwijl je nog in je bed ligt na over wat je wilt ontbijten en welke kleren je aan gaat trekken. Je grootste dilemma is: ga ik eerst douchen  of eerst eten. Maar dat is het dan ook. Heerlijk…. Zo was het ooit…

Twee kinderen later zien mijn ochtenden er iets anders uit. En dan laat ik de werkdagen even buiten beschouwing.

Ik heb vakantie en lig lekker in bed. Mijn deken voelt als een warme omhelzing en het matras ligt zo lekker dat ik mezelf één voel worden met het mee-verende materiaal. Ik droom van een strand en palmbomen terwijl ik met een rietje een drankje slurp uit een met fruit versierd glas.  In de verte komt een ober aanlopen met mijn volgende drankje. De golven slaan op het strand en het zand straalt warmte af. Terwijl ik zonnebrand smeer (waaraan op magische wijze geen zand blijft plakken) hoor ik in de verte zeemeeuwen. Alles is perfect.

“mama…” hoor ik door de golven heen en ik zet mijn drankje neer. “mama!” hoor ik nog een keer, nu duidelijker. “mama, Ik ben wakker!!” het strand verdwijnt en ik open mijn ogen. Op twee centimeter van mijn gezicht zie ik twee paar blauwe ogen voor m’n neus zweven. Als ik mijn hoofd naar achter beweeg en m’n ogen zich eindelijk kunnen focussen blijkt het maar één paar blauwe ogen te zijn. De ogen van mijn jongste dochter.

“wakker, mama” zegt Hanna nog een  keer. Gedesoriënteerd grijp ik naar mijn telefoon om te kijken hoe laat het is, 6.50 geeft mijn veel te felle beeldscherm aan. Ik leg de telefoon weer neer en kijk nogmaals naar Hanna. Die staat met grote ogen en een nog grote glimlach afwachtend te kijken.
Mijn oudste is nog niet wakker dus ik begin mijn eerste poging om langer in bed te kunnen blijven liggen.

Ik schuif een stukje naar het midden van het matras en hou met één arm de deken omhoog. “kom maar” zeg ik. “maar wel stil zijn, iedereen slaapt nog.” En om het extra kracht bij te zetten benoem ik “de héle wéreld slaapt nog”. Hanna kruipt naast me. Ze is nog lekker warm en we liggen strak tegen elkaar aan. Dit heerlijke moment duurt welgeteld heerlijke 3 seconden. Dan prikt ze met een vinger tegen mijn neus en zegt “tuuuut”. Ik zeg nogmaals dat de hele wereld nog slaapt en Hanna aait over mijn wang. “slaap lekker”, zegt ze, om daarna “wakker worden!!”  te roepen en vervolgens de slappe lach te krijgen. Dit werkt niet.

Het geschater van Hanna is blijkbaar ook in de aangrenzende kamer te horen en het duurt niet lang of Sara staat ook aan het bed. “ik wil er ook bij” zegt ze stellig en ik doe weer met één arm de deken omhoog zodat ze naast Hanna kan aanschuiven. Maar nee, madam moet in het midden. Na haar al haar knieën en ellebogen tussen mijn ribben te hebben gevoeld heeft ze eindelijk haar plekje gevonden. En zo leggen we weer vijf heerlijke seconden vredig naast elkaar, voordat Sara zegt “ik wil naar beneden” en Hanna zegt “ik wil mee, ik wil spelen”.

In mijn hoofd vind nu een supersnelle rekensom plaats. Ik zal je de precieze details besparen, maar het komt er op neer dat ik alle kosten en baten bereken van een situatie waarin de twee meiden alleen beneden zijn en wij nog even boven in bed liggen. Heb ik de mooie wijnglazen opgeborgen? Slingert er ergens nog vingerverf of lijm rond? Hoeveel schade heb ik er voor over om nog even op mijn droomstrand te kunnen zijn? Als ik mentaal alle breekbare spullen heb kunnen lokaliseren zeg ik: “ga maar, mama en papa komen zo”.

Ik lig nog in bed. Beneden hoor ik gestommel, maar het klinkt niet alsof er iets kapot gaat, niets waardevols in ieder geval. Ik hoor de meiden lachen en daarna hoor ik Hanna even au roepen, maar daarna gelukkig weer lachen. Er zijn dus geen verwondingen waarvoor ik nu gelijk naar beneden moet komen.

“ik heb honger!!” klinkt het onderaan de trap. Ik maak weer een mentaal  kostenplaatje. Vind ik het tien minuten extra bed-tijd waard om de meiden zelfstandig een kuipje smeerkaas leeg te laten lepelen en vervolgens hagelslag op een boter-loze boterham te laten storten? Prima, is mijn conclusie. “Pak zelf maar wat!” Fluister-roep ik vanuit bed. Ik heb vakantie, ik ruim het later wel op.

Als even later ook “dorst!” naar boven wordt geroepen probeer ik te bedenken hoe groot een plas melk van 1,5 liter is. Aangezien dit zeker weten het gevolg zal zijn van een poging om zelf drinken in te schenken. Heb ik de energie om met mijn slaperige hoofd 5 vierkante meter melk op te ruimen? Is dit het waard om nog langer voor in bed te blijven liggen? Nee.

Ik sla de deken van me af, ruk me los van mijn matras en zeg daarmee vaarwel tegen het strand en de palmbomen. Eenmaal beneden kan ik nog net Sara onderscheppen die het volle pak melk gevaarlijk schuin houdt. Het kuipje smeerkaas is voor de verandering niet leeggegeten, maar ligt wel op zijn kant op het aanrecht. Op een bordje ligt een boterham met hagelslag, bij nadere inspectie blijkt er smeerkaas onder te zitten als plakmiddel. Dit was mijn extra bed-tijd wel waard.

Ik zet de meiden aan tafel en geef ze een boterham met iets minder avontuurlijk beleg en een glas melk. Zelf pak ik een glas sap. In een mooi wijnglas en op de rand duw ik een aardbei. Tropischer  dan dit zal het vandaag niet worden.

Nieuw ronde, nieuwe kansen.

Het is vakantie! En wij hebben het geluk dat we in een straat wonen met heel veel kinderen, dus er is altijd wel iemand om mee samen te spelen. Het is een levendige buurt en iedereen mag bij elkaar in de tuin komen. Dus als het lekker weer is hebben de kids alle trampolines, zandbakken, steppen, skates, schommels en voetballen van de hele straat tot hun beschikking. Soms is er even ruzie om iets, maar meestal gaat alles vredig en is er niet veel gedoe wanneer ze buiten spelen.

Het échte gedoe begint pas als het regent. Zoals vandaag.

Ik wordt wakker en hoor gelijk dat er regen op mijn burgerlijke veluxramen valt. “Oh neeeee….”. Ik kijk snel hoe laat het is. Het is 7:15. Ook hoor ik dat Sara al bij Hanna op de kamer is en dat ze samen aan het ravotten zijn. Nog steeds passen ze samen in het ledikant van Hanna en ze kunnen zich er rustig een uur in vermaken. Maar daar hebben vandaag we geen tijd voor, want het regent, dus ‘De veiling klok is gaan lopen’. En je denkt vast “huh? Wat heeft een veilingklok hiermee te maken?”.

Ik zal het uitleggen:

Bij een veiling, bijvoorbeeld een bloemenveiling, wil je als de klok loopt zo laat mogelijk drukken om de prijs zo laag mogelijk te krijgen, maar je moet wel snel genoeg drukken om als eerste te zijn. Dus speel je samen een zenuwslopend spelletje waarin je zo lang mogelijk wacht en tegelijk de ander voor wilt zijn.

Op regenachtige dagen willen kinderen binnen spelen. Dus ik zie voor me dat alle ouders in de wijk op regenachtige ochtenden, zenuwachtig kijkend op de klok, proberen in te schatten wat een schappelijke tijd is om je kind de deur uit te gooien om ergens anders te gaan spelen. In de hoop dat er niet een ouder is die één minuut eerder zijn kind uitzwaait bij de voordeur en roept: “kijk maar of ze thuis zijn, ok? Lekker spelen he!”. Want als je te laat bent dan heb je nog vóór 10.00 uur een huis vol kinderen en een woonkamer vol glitters, snippers, lego, poppen, stiften en klei.

Dus terwijl ik Sara aankleed kijk ik op de klok, 7:45. Terwijl Sara een boterham eet kijk ik op de klok, 8:15. Ze mag nog wel even tv kijken, 9.00. In mijn hoofd maak ik de afweging en discussieer ik met mezelf: “normaal zou ze al dertig minuten op school zitten, dus dit wel een nette tijd toch?” “maar het is vakantie, het is te vroeg”. “niemand met kinderen slaapt uit, dus ze zullen wel wakker zijn” “maar misschien moet ik wachten tot half tien.”

Ik besluit nog een kwartier te wachten en schil een appel voor Sara terwijl ik op de klok kijk. Ik kan ook niet té lang wachten met haar richting een vriendinnetje te sturen, want dan staan ze al hier aan de deur en dan zit ik met het hele circus hier. Dus om stipt 9.25 stuitert Sara de deur uit, door de regen naar een paar huizen verderop. Ik hoor de voordeur open gaan en gelijk daarna hoor ik een meisje roepen: “jaaaaa we gaan knutselen!!”. Vanaf een andere kant zie ik nog twee buurmeisjes aan komen rennen, ze dragen regenjasjes en laarzen. Ze verdwijnen allemaal in hetzelfde huis.

Rond 12:00 komt sara terug, met een knutselwerk overladen met glitters, snippers en stickers. Ik kan me alleen maar voorstellen hoe het huis eruit moet zien waar dit kunstwerk tot stand is gekomen.

Wanneer ik later die middag de vuilnisbak op de stoep zet kom ik de buurman van een paar huizen verderop tegen. Hoi. Haay. “Ook lekker vakantie?” vraag ik. “jazeker” antwoord de buurman terwijl hij zuchtend wat glitters van zijn shirt klopt. Als hij zich omdraait zie ik een sticker op zijn broek zitten.

Ik denk zomaar dat de veilingklok morgenochtend wat vroeger begint te lopen.

Raar maar echt waar

Een wijs man zei ooit: “Reality leaves a lot to the imagination”.

Er zijn veel momenten geweest waarop ik aan deze uitspraak heb gedacht, is het eigenlijk wel waar? Ik had bijvoorbeeld nooit een voorstelling kunnen maken van hoe vertrouwd je kind voelt binnen twee seconden na zijn geboorte, alsof het universum “duh…” zegt. Tegelijkertijd ben je zo verbaasd over het feit dat er nu daadwerkelijk een kindje is, dat je aan jezelf begint te twijfelen over wat je dan al deze tijd had verwacht. 
Dat zijn momenten waarop de realiteit groter is en meer impact maakt dan de sterkste verbeelding. Romantisch hè…

Ik weet niet zeker of ik nog steeds dit soort romantische of filosofische gedachten heb wanneer ik aan mijn kinderen denk…

Van de week dronk mijn jongste dochter de loempiasaus rechtstreeks uit het bekertje van de afhaalchinees. En mijn oudste dochter beet op haar teennagels terwijl Arno haar een bedtijdverhaaltje voorlas. Ik ben nog steeds getraumatiseerd van die keer dat ik stond te koken, mij omdraai en Hanna op de eettafel zie staan. Vervolgens stapt ze lachend, met al het vertrouwen in de wereld, van de tafel af. Er van uitgaande dat ik haar vang, wat ik gelukkig ook deed. Met een buikschuiver vanuit de keuken. En terwijl ik nog met een lichte hartverlamming op de grond lag, zei Hanna doodleuk: “nog keertje”. 

Dat dit vandaag de dag mijn werkelijkheid zou zijn had ik in mijn wildste dromen nog niet voorzien. Ik kijk daarom ook elke dag vol verbazing naar de gekke nieuwe dingen die ze doen of zeggen. En vervolgens denk ik dan bij mezelf: “dat zullen ze wel van Arno hebben…” 

Ik denk trouwens dat alle moeders hier wel iets in herkennen, kinderen die rare dingen doen. Moeders roepen hierdoor ook de raarste dingen, we spreken zinnen uit die nog nooit zijn uitgesproken. Nieuwe woordcombinaties die nog nooit in dezelfde zin zijn gebruikt. Zoals:
“Niet aan je broertjes oksel likken” 
“Niet met die courgette op je zus d’r hoofd meppen” 
“Haal die klei eens uit je broek” 
“Waarom ruikt de afstandsbediening zuur?”  

Het zou best een leuk format voor een spelshow op tv zijn: “Haal die … eens uit je …!!

Waar je als deelnemer telkens 5 opties krijgt om in te vullen op de puntjes in een zin. “Haal die (waterpomptang) eens uit je (broertjes neus)!!” Wanneer het goed is gaat vervolgens de moeder die de desbetreffende zin heeft uitgesproken vertellen hoe deze situatie tot stand kwam. “Het was de ochtend van 13 september 2017, ik weet het nog als de dag van gister….” 

Ik zou zeker weten kijken. 

Een doordeweekse avond

Ik zit op de bank en heb een wijntje verdiend. Dat vind ik gewoon.

Ik heb gewerkt, iedereen is gevoed, iedereen leeft nog en alles slaapt nu. Een stilte is neergedaald over het huis en ik denk na over welk tv programma ik wil kijken. De tv heb ik al aan gezet en deze staat nog op een zender met 24/7 kinderfilmpjes, dus terwijl ik op de bank zit kijk ik een tijdje gedachteloos naar Pingu die toeterend door het scherm schuift. Daarna volgen er nog twee kinderprogramma’s die ik kijk maar niet in me opneem en dan zet ik de tv op Comedy Central. Heerlijk, een honderdste herhaling van Friends. Rachel zit na een ruzie met Ross verdrietig op de bank in Central Perk, maar gelukkig komt Ross ook deze keer weer terug om vervolgens met haar te zoenen. Alles is weer goed, alles is rustig.

Toen ik thuis kwam uit mijn werk was het ook lekker rustig, want alleen mijn schoonmoeder was er. Zij kan gelukkig op dinsdag de oudste uit school halen en de jongste van de opvang. En ik kwam vandaag precies thuis in het oog van de storm.

“waar is iedereen?” vraag ik. Stiekem hoop ik (voor één seconde) dat de jongste zo uitgeput was van de sociale interactie op de dagopvang dat ze even slaapt en dat de oudste bij een vriendinnetje blijft eten en ik haar pas om 19:00 hoef op te halen. Ik wil gewoon even zitten en mentaal mijn werkdag verwerken om vervolgens te luisteren naar de oudste die verteld over dat er op school een jongetje kwijt was. Maar nee, de oudste schommelt met ons Achterbuurmeisje in de speeltuin en de jongste moet nog opgehaald worden.

Terwijl oma de jongste ophaalt begin ik snel met avondeten maken. Nu kan het nog. Nu kan ik de zigeuner schnitzels bakken zonder ze te laten aanbranden (want ik  moet ondertussen de meiden uit elkaar halen omdat ze heel toevallig allebei met dezelfde blauwe stift willen kleuren). Terwijl ik aardappels in stukjes snij komen Sara en Achterbuurmeisje binnen waaien als een wervelstorm. Ze beginnen verhit te vertellen over wat ze hebben meegemaakt. Ze hebben net in de speeltuin gespeeld en toen waren er grote kinderen die hadden geroepen dat ze ‘kleine kutkinderen’ waren en dus van de schommel af moesten. Dit hebben ze ook al aan de vader van Achterbuurmeisje verteld, maar die zei dat ze sowieso van de schommel af moesten omdat ze bijna gingen eten, “maar jullie zijn geen kutkinderen”, had hij eraan toegevoegd. En Sara mag mee eten. Top! (we gingen namelijk bietjes eten, en Sara lust dat niet en dan had ik voor haar speciaal wat boontjes gekookt. Iets wat ik me altijd had voorgenomen om niet te doen, want ik zei altijd “Een kind moet eten wat de pot schaft! Dus dat ga ik nooit doen!” Maar de praktijk blijkt lichtelijk te verschillen van de theorie.)

Ik dek de tafel en ondertussen komen oma en de kleine meid terug. Alles gaat soepel, alles loopt gesmeerd! Ik kook en oma houdt zich bezig met het kleine mensje dat op haar manier en in haar eigen taal hele verhalen ophangt. Mijn vent komt thuis, we kunnen eten. Deze dag is in de pocket! De planning is dat ik om 19:00 Sara terugroep vanaf Achterbuurmeisje, dan knal ik beide meiden in bed en met een mooie elegante afsprong beëindig ik de dag. De jury houdt bordjes omhoog met allemaal tienen erop!

Tevreden wil ik met oma, man en jongste dochter aan tafel gaan zitten om te eten, maar dan komt de oudste via de achtertuin binnenrennen. Ze eet toch niet bij de achterburen, want “Ze eten daar pasta met rode saus en als ik dat eet ga ik dood omdat ik geen saus lust , dus ik eet toch thuis. want dingen met saus eet ik niet, van saus wordt je eten nat. En ik wil wel nú eten want ik heb honger. Iets zonder saus.” Er volgt een redelijk pedagogisch verantwoorde reactie van mij, ik weet niet meer wat precies…Want eigenlijk wil ik nu al wijn, maar in plaats daarvan gooi ik snel wat boontjes in een pan.

Heel geanimeerd verteld Sara dat het jongetje dat kwijt op school was gewoon een boekje zat te lezen in een speelhoek, ondertussen kauwt ze op de te kort gekookte boontjes (beetgaar is hip, al dente. Super culinair. het is uitgevonden door koks die eten moesten serveren voor ongeduldige gasten. “nee het is niet rauw, het is al dente.”)

Ondanks dat de afronding van deze dag niet zo vlekkeloos verloopt als gehoopt wil ik toch proberen de avond af te ronden met een dikke 9 van de jury. Dus ik lees een lekker lang verhaal voor aan Sara wanneer ik haar naar bed breng. Het is het vierde verhaaltje in het boek, want dat is volgens haar waar papa vorige keer is gebleven met voorlezen.
Ik begin te lezen en vraag na de eerste alinea voor de zekerheid of Sara echt zeker weet dag papa niet al heeft voorgelezen. “weet je het zeker? Dit is niet hetzelfde verhaaltje als gisteren? Het verhaaltje over de sloddervos ken je dus nog niet?” Ik lees verder en sluit af met: “en toen gingen ze slapen”. (Niet omdat dit er staat, maar omdat ik elk verhaaltje zo afrond ongeacht of dit kloppend is met de verhaallijn.) Terwijl ik  deze woorden uitspreek zegt Sara dat het misschien toch wel kan zijn dat papa dit verhaaltje gister al heeft voorgelezen, deze sloddervos maakte heel toevallig precies hetzelfde mee als die van gisteravond. Dus dat ik nu wel nog een nieuw verhaal moet voorlezen. Een dappere poging, eerlijk toegegeven.
Ik laat haar in tranen achter als ik zeg dat ze zelf lekker nog verder mag lezen in het boek. Als ik halverwege te trap naar beneden ben hoor ik haar nog snikken “ik…ik kan helemaal.. niet lezen.”

Als ik op de bank ga zitten staat Friends nog aan en ik zie voor de honderdste keer dat Ross zijn verloofde aan de telefoon beloofd dat hij nooit meer contact zal hebben met Rachel. Tijdens de reclame loop ik naar boven en haal ik het verhalenboek van Sara haar slapende gezichtje af.

Ik heb wijn verdiend, iedereen leeft nog.

Vakantie in België 2019

18 augustus:

Naar een kasteeltje geweest. Sara heeft een Speurtocht gedaan door de kamers, op zoek naar het kistje dat de juwelendief verstopt had. Top, mama had alle antwoorden goed.

Naast het kasteel werd een feestje voorbereid. Een groepje mensen staat aan de weg te wachten. Er komt straks een koets aan, bestuurd door een man die vandaag 90 is geworden. Zo zegt de man van het kasteel. We besluiten erop te wachten. Arno en Hanna kijken even in het kasteel winkeltje en Sara en ik gaan bij de weg op een bankje zitten naast een mevrouw. We delen leuke anekdotes over Fredricus (?), die nog zo kwiek is voor iemand van 90. De vrouw vindt het leuk dat we helemaal uit Nederland zijn gekomen voor hem. Vind ik ook.

De koets komt aan en Hanna brult “paaaaaard!!” en zet een sprintje in achter de koets aan door de feestmeute heen. Wanneer de koets blijft staan brult Hanna nog een keer liefkozend “paaaaaard!!” tegen het verbaasde dier en zwaait ernaar. Sara aait het beest wel even over zijn neus en dan gaan we weer. Lichtelijk verbaasd nagekeken door de vrouw met wie ik herinneringen over Fredricus (?) heb gedeeld.

Daarna rijden we weg en volgen een bordje waar “aardbeien” op staat. We rijden voor ons gevoel 200 jaar terug in de tijd over een landweggetje. Een belletje verraad ons wanneer we het terrein van een boerderij oprijden. Een vrouwtje komt op ons afgelopen en haar man volgt. We kopen de duurste aardbeien en kersen ooit. Maar de man en vrouw hebben klaarblijkelijk al 200 jaar niemand gesproken, dus 40 minuten later rijden we weer weg, uitgezwaaid door de mensen die ons in deze korte tijd verteld hebben over al hun kleinkinderen, kinderen en geiten, kaas en een verhaal over struisvogels. Arno en ik vonden de aardbeien gelijk hun geld waard.

21 augustus:

Boodschappen doen op vakantie. Het is een aparte tak van sport. 
Arno en ik kijken allebei op de juiste momenten streng naar sara als ze weer met puppy-ogen vraagt of ze asje asje asje blieieieft deze koekjes in de kar mag doen. Ze houdt een pak Woezel en Pip koekjes omhoog en we wijzen dit verzoek af, net als de Mega Mindy smeerkaas en brandweerman Sam salami.
Behendig keilen we achter sara haar rug om allerlei “grote mensen” koekjes en kaas en worst in de kar. 
Voor onszelf zijn we een stuk minder streng. Alles waar we trek in hebben nadat de kids op bed liggen grissen we mee. Zoutjes, chips, koekjes, wijn, kaasjes, droge worst.

Alles bij elkaar zijn we aan kakofonie van krakende chipsverpakkingen, “nee. leg maar terug”, Hanna die niet kan praten maar wel een hele sterke mening heeft en luid brabbelend en wijzend in de kar zit en ik “arno! waar ben jij? Ik ben twee paden verder rosé aan het uitzoeken!”.

Met een overvolle kar komen we bij de kassa, waar het best confronterend is als we de buit uitstallen op de lopende band. Ik besluit dat als de kassiere vragend gaat kijken naar ons, dat ik dan verontschuldigend “feestje” zeg en mijn schouders ophaal. Maar de kassiere geeft natuurlijk geen fuck en noemt als alles is gescanned, in een zacht Belgisch accent, een monsterlijk groot bedrag op. Nee dankje, we hoeven geen ticketje (bon in het Belgisch) als bewijs…

In de auto horen we het nummer ‘De fanfare van honger en dorst’. Ik stoot arno en aan en zeg: “dat zijn wij”.

24 augustus:

Gezellig met zn drietjes op vakantie. Nu hoor ik jullie denken: “drie? Jullie zijn toch met zn vieren?” ja, dat dachten arno en ik ook. Maar sinds we op de camping zijn heeft ons contact met sara meer iets weg van vogel spotten.

In de ochtend wordt ons vogeltje wakker en kruipt snel haar nest uit, in de hoop dat ze nog voordat wij het door hebben al op de fiets kan springen om als een soort van adelaar de camping over te zweven. 
Gelukkig kunnen arno en ik haar nog net op tijd terug lokken met een stukje brood zodat ze haar lange vlucht kan beginnen.

De eerste stop op haar vlucht is het knutselen in het clubhuis. Om daarna met de zwerm andere jonge vogeltjes door te vliegen en neer te strijken in de speeltuin. 
Rond twaalf uur spotten we sara weer eventjes, met haar veren door de war en vol met zand propt ze snel een broodje naar binnen om vervolgens weer haastig weg te vliegen.
We vangen in de middag weer even een glimps op van ons zeldzame vogeltje als ze met de animatie langs komt, op weg om op het veld waterflessen om te gooien met een bal. Schichtig fladdert ze voorbij onze plek, in de hoop dat we haar niet terugfluiten om iets buiten de camping te gaan doen.

Met avond eten zitten arno en ik heel stil om sara niet weg te jagen. En mogen we een half uur genieten van haar gekwetter en gekwebbel. 
Maar door oergevoel aangedreven weet sara dat de kinderdisco gaat beginnen en schiet ze er weer vandoor. Om 19.30 horen we sara haar gegiebel ergens van achter de bomen. En na de kinderdisco moeten we met een vangnetje achter ons vogeltje aan. Sara fladdert nog even wild in het rond, maar 2 minuten slaapt ze.

26 augustus

De vakantie is heerlijk. We doen een hele boel niets en af en toe iets. We eten veel en zeggen daarna dat we de rest van de dag niet hoeven te eten om vervolgens vijf minuten later een zak chips open te trekken. We fietsen hele einden en zitten lui op het strand. En 85% van de tijd vind ik onze kids echt de leukste kids die er zijn. En het volgende stukje gaat over die andere 15%.

Ik schets even een korte situatie: sara heeft een wiebeltand. Nu kan ze niets eten. He-le-maal niets. Want dan wiebelt haar tand, duh… Dus met ontbijt heeft ze één hap van haar croissantje genomen en geconstateerd dat dit zo hartverscheurend veel pijn doet dat ze niet verder kan eten. Top, maar je krijgt niets anders he! Niet zeuren dat je honger hebt straks! 
Ok, dus we stappen op de fiets en fietsen de camping af, waar arno en ik de eerste kreun horen. We kijken elkaar aan en alsof we daarmee een startsein hebben gegeven begint het. “Ik kan niet meer fietsen… Ik heb zooooo’n honger. Ik ben er slap van, ik kan niet meer trappen…”. Nu kreunen arno en ik een beetje. 
En als je dan, na sara 30 minuten lang aangemoedingd te hebben als een ware cheerleader, stopt en sara knaagt zonder moeite een bifi worstje weg met haar wiebeltand dan moet je toch een beetje zuchten.

Situatie twee: als hanna niet wil lopen en helemaal slap aan mijn arm/hand hangt en je voor een dillema staat: vasthouden en meesleuren waardoor iedereen denkt “wat een gemene moeder is dat” of loslaten en dan valt ze op de grond en huilt ze diep teleurgesteld dat mama haar heeft laten vallen en dan denkt iedereen “wat een gemene moeder is dat” of je drappeert haar zachtjes als een vaatdoek op de grond en dan blijft ze bewegingloos en levenloos liggen in die houding, ik loop dan verder en roep “doei hanna daááág!” en iedereen kijkt en denkt “wat een gemene moeder is dat”.

Verder hebben we natuurlijk de gewone ik-mag-iets-niet huilmomenten, de ik-wil-iets-niet huilbuien en de waarom-moet-ik-douchen-ik-heb- maar-15kg-zand-in-mijn-haar-en-bilspleet drama’s.

Maar wat ik bedoel te zeggen is dat ik hele leuke kinderen heb (wanneer ze de hort op zijn, zelf lopen, geen honger hebben, alles mogen en vooral wanneer ze slapen).

28 augustus:

Het zit er bijna op. Aan alle leuke dingen komt een einde en zo ook aan deze vakantie. We hebben de dagen optimaal benut en ook dagen bewust onbenut. Het onderste is uit de kan gehaald.En dat is te zien aan onze stacaravan.

Er ligt zoveel zand in onze caravan dat er net twee belgen hun handoek neerlegde en een parasol opzette in de veronderstelling dat hier het strand was. 
Ook hebben we nog een verontrustende hoeveelheid eten en snacks voor het resterende aantal dagen. We zouden eventueel kunnen overwinteren hier en de volgende zomer kunnen halen met het aanwezige rantsoen.
Het speelgoed, dat we op de heenweg goed gesorteerd en zo compact mogelijk hadden ingepakt, is in zijn totaliteit ontploft. Overal liggen plastic dieren, schepjes en emmers (incl zand natuurlijk), stiften, papier, stoepkrijt op de vloer in de wc (Sara lacht hard om dr eigen grap: “poepkrijt”). 
Daarnaast zijn arno en ik ook redelijk overvloedig geweest met onze kledingwissels. Dus liggen overal delen van outfits die wel geschikt waren voor 25°C maar natuurlijk niet voor 27°C. Dus dan trek je een ander shirt aan, of kortere broek. En wanneer het s avonds afkoelt trek je weer een wat langere broek aan, maar die broek van de ochtend kan je niet vinden want die ligt onder het shirt dat je aan had toen het 26°C was, dus pak je maar een andere broek. 
En gaan we eigenlijk nog die 10 keurig bewaarde statiegeldflessen inleveren? Netjes de lege wijnflessen in de glasbak doen? Het was een goed voornemen, maar al twee weken lang zeggen we telkens als we langs een glasbak rijden of de supermarkt in lopen “oja, we hadden flessen moeten meenemen”.

Gelukkig gedijen onze kinderen goed in deze chaos, wijzelf eigenlijk ook wel. Het is tenslotte vakantie. Maar ik zie wel op tegen het moment dat we deze nederzetting moeten inpakken en weer passend in de auto moeten krijgen. En ik ben niet zo’n moeder die de vuile was vouwt om het weer netjes mee terug te nemen. Ik kijk geen Marie Kondo in mijn vrije tijd, dus ik maak geen makkelijk hanteerbare bundeltjes van mijn handdoeken. Wij hebben gewoon een berg was die we hopelijk in een tas kunnen proppen zonder dat die openbarst. 
Gelukkig komen bij het dichtritsen van de koffers mijn nieuw verworven vakantie-kilo’s goed van pas.